ECLI:NL:RBSHE:2012:BW2456
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring rechtbank wegens arbitragebeding in algemene voorwaarden
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van een vordering, terwijl in de toepasselijke Algemene Voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf 1992 (AVA 1992) een arbitragebeding was opgenomen. Dit beding verplicht partijen om geschillen via arbitrage bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven te beslechten.
De eiseres, gebruiker van de algemene voorwaarden, stelde dat artikel 21 van Pro de AVA 1992 een oneerlijk beding was in de zin van artikel 3 van Pro Richtlijn 93/13/EEG en dat de rechtbank daarom bevoegd moest zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de Richtlijn en het BW alleen bescherming bieden aan de wederpartij van de gebruiker, doorgaans de consument, en dat de gebruiker zelf zich niet op oneerlijkheid kan beroepen.
De gedaagde, wederpartij, verzette zich tegen het buiten toepassing laten van het arbitragebeding en deed afstand van het recht om het beding te vernietigen. De rechtbank volgde dit verzet en verklaarde zich onbevoegd. Ook het beroep op misbruik van recht door de gedaagde werd verworpen, omdat deze voldoende motiveerde waarom arbitrage noodzakelijk was.
De eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, omdat zij onnodig kosten had veroorzaakt door de zaak bij de verkeerde rechter aan te brengen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst het beroep op oneerlijkheid van het arbitragebeding door de gebruiker af.