ECLI:NL:RBSHE:2012:BW2505

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
789583
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:441 BWArt. 6:96 lid 2 BWArt. 225 lid 1 RvArt. 225 lid 2 RvArt. 227 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing geding wegens onderbewindstelling van gedaagde tijdens zorgverzekeringsvordering

Eiseres, een zorgverzekeraar, vordert betaling van een openstaande premie van gedaagde, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. Gedaagde betwist de hoofdsom omdat hij tijdens de periode van de vordering in detentie zat en stelt dat hij onder bewind staat, waardoor zijn bewindvoerder de zaak moet afhandelen.

De kantonrechter onderzoekt of eiseres ontvankelijk is in haar vordering jegens gedaagde, gezien diens onderbewindstelling. Uit een beschikking van 7 november 2011 blijkt dat het bewind over alle goederen van gedaagde toen is ingesteld, na dagvaarding. Hierdoor was gedaagde op het moment van dagvaarding formeel procespartij en kon hij niet succesvol aanvoeren dat de dagvaarding op de bewindvoerder had moeten worden gericht.

Wel leidt de onderbewindstelling ertoe dat de bewindvoerder de formele procespartij wordt en dat het geding op initiatief van gedaagde geschorst wordt. De proceshandelingen na de schorsing zijn nietig. De kantonrechter wijst erop dat het geding na schorsing kan worden hervat in de stand waarin het zich bevond en dat partijen de nietige proceshandeling met wederzijds goedvinden als geldig kunnen aanmerken.

Uitkomst: Het geding wordt geschorst op initiatief van gedaagde vanwege onderbewindstelling, waardoor de bewindvoerder formele procespartij wordt.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector Kanton, locatie Eindhoven
In de zaak van:
Onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep, Zorgverzekeraar u.a., handelend onder de naam CZ,
statutair gevestigd te Tilburg, woonplaats kiezende te Breda,
eiseres,
gemachtigde: PRC Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
procederende in persoon,
wijst de kantonrechter te Eindhoven het navolgende vonnis.
1. Het verloop van het geding
Dat blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 18 oktober 2011;
b. het mondeling antwoord van 8 december 2011;
c. akte zijdens eiseres van 16 februari 2012;
d. de griffier heeft gedaagde in de gelegenheid gesteld om op deze akte te reageren op de
rolzitting van 15 maart 2012;
e. gedaagde heeft op de rolzitting van 15 maart 2012 niet gereageerd.
2. De feiten
2.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties vast dat gedaagde met eiseres een zorgverzekeringsovereenkomst is aangegaan.
3. Het geschil
3.1. Eiseres vordert, samengevat, dat gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van
€ 223,60 vermeerderd met de wettelijke rente over € 401,98 vanaf 11 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
Het bedrag van € 223,60 wordt als volgt gespecificeerd.
- hoofdsom € 401,98
- rente 16,72
- incassokosten 75,00
- btw over incassokosten 14,25 +
507,95
- betaald bij cliënt 284,35 -
€ 223,60
3.2. Eiseres heeft gesteld dat zij op grond van de tussen partijen bestaande overeenkomst een opeisbare vordering heeft op gedaagde, waarvan zij nakoming vordert. Eiseres maakt tevens aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente, die tot 11 oktober 2011 € 16,72 bedraagt. Eiseres heeft op grond van art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en onder c BW van gedaagde buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ad € 75,-, omdat zij haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven, waardoor zij tevens buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.
3.3. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij niet aansprakelijk is voor de hoofdsom, omdat hij in de periode van 27 september 2009 tot en met november 2010 in detentie zat. Daar komt volgens hem nog bij dat hij onder bewind stond en staat en dat zijn bewindvoerder (mevrouw [V] van Bureau i3B te [plaats]) die zaken moet afhandelen.
4. De beoordeling
4.1. Voordat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil dient te worden vastgesteld of eiseres ontvankelijk is in haar vordering jegens gedaagde, nu gedaagde heeft aangevoerd dat zijn goederen onderbewind zijn gesteld. De kantonrechter begrijpt het verweer van gedaagde aldus dat hij een beroep doet op art. 1:441 lid 1 BW Pro.
4.2. Krachtens art. 1:441 BW Pro vertegenwoordigt de bewindvoerder tijdens het bewind de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder treedt op als de formele procespartij in een procedure waarin verhaal wordt gezocht op het onder bewind gestelde vermogen van de rechthebbende.
4.3. Eiseres is bij akte in de gelegenheid gesteld te reageren op dit verweer. Zij heeft daartegen aangevoerd dat de kantonrechter het bewind over (alle) goederen die gedaagde (zullen) toebehoren pas na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding heeft ingesteld, zodat zij gedaagde terecht op 18 oktober 2011 heeft gedagvaard. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een afschrift van een beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie [plaats] d.d. 7 november 2011 in het geding gebracht.
4.4. De kantonrechter constateert dat uit het door eiseres in het geding gebrachte afschrift blijkt dat het bewind over (alle) goederen die gedaagde zullen toebehoren bij beschikking d.d. 7 november 2011 is ingesteld, met benoeming van mevrouw Vereggen als bewindvoerder. Dit betekent dat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding gedaagde bevoegd was om als formele procespartij op te treden, zodat hij eiseres niet met succes kan tegenwerpen dat zij niet hem, maar zijn bewindvoerder q.q. had moeten dagvaarden. Dit verweer kan daarom niet opgaan. Het voorgaande brengt mee dat eiseres kan worden ontvangen in haar vordering jegens gedaagde.
4.5. De kantonrechter stelt vast dat de persoonlijke staat van gedaagde tijdens het aanhangige geding, gelet op voormelde beschikking d.d. 7 november 2011, is veranderd. Immers, door de onderbewindstelling is, gelet op art. 1:441 BW Pro, de hoedanigheid van formele procespartij van gedaagde overgegaan naar de bewindvoerder. Deze verandering van de persoonlijke staat van gedaagde kan voor gedaagde een grond voor schorsing van het geding vormen (art. 225 lid 1 aanhef Pro en onder b Rv).
4.6. Gedaagde heeft bij mondeling antwoord aangevoerd dat zijn bewindvoerder de zaak moet afhandelen. De kantonrechter begrijpt aldus dat het geding op initiatief van gedaagde is geschorst (art. 225 lid 2 Rv Pro). Dit brengt mee dat de proceshandelingen verricht nadat de schorsing is ingetreden, nietig zijn.
4.7. Volledigheidshalve wijst de kantonrechter erop dat het geding ex art. 227 Rv Pro op initiatief van partijen kan worden hervat in de stand, waarin dit zich bij de schorsing bevond. Overigens belet niets partijen om na hervatting de nietige proceshandeling (de hiervoor onder 3.3. vermelde akte van eiseres) met wederzijds goedvinden aan te merken als geldige, tussen hen verrichte handeling. Dat zal vanuit proces-economisch oogpunt wellicht de voorkeur genieten boven herhaling.
5. De beslissing
De kantonrechter:
schorst het geding op initiatief van gedaagde in de stand waarin het zich op 8 december 2011 bevond.
Aldus gewezen door mr. E.A.M. van Oorschot, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.