In voornoemd adviesrapport van psychiater J.C. Zwemstra is onder meer het navolgende gesteld:
‘(…) Ten aanzien van de recidiverisico’s
(…) Ondergetekende scoorde een HR-20, een instrument gericht op inschatting van algemene geweldsrecidive. Op de historische subschaal scoort betrokkene bovengemiddeld tot hoog, op de klinische subschaal beneden gemiddeld, en op de toekomst gerichte subschaal binnen tbs-kader gemiddeld, zonder tbs-kader hoog. Dit leidt tot een uitkomst op dit instrument van matige risico’s bij handhaven het tbs-kader, en matig tot hoge risico’s voor recidive geweldsdelicten (met name wederom bedreiging en mishandeling) bij een situatie zonder tbs -kader.
Qua klinische risico-inschatting is duidelijk dat incidenten in de kliniek en de eerdere delicten steeds plaats vonden in fasen dat betrokkene angstig (rand) psychotisch functioneerde. Deze angstig/psychotische toestandsbeelden werden bij de delicten verder aangezet door alcohol en/of middelen gebruik. Maar de essentie is toch een angstig psychotische dysbalans waardoor betrokkene onvermogend was adequaat op situaties te reageren. Daarmee is gelijk duidelijk dat als de psychose en angst onder controle zijn met behulp van medicatie en een overzichtelijke niet overvragende bejegening en verblijfsomgeving deze risico’s duidelijk verminderd zijn.
Terugval is bij schizofrene mensen echter altijd mogelijk, hoewel de kans daarop sterk gereduceerd wordt door adequate medicatie, snelle bijsturing van de medicatie bij dreigende terugval, een overzichtelijke leefomgeving en een passende belasting. Het huidige behandelbeleid gekenmerkt door een zeer geleidelijke opbouw van een verlof en resocialisatietraject, en zeer gedoseerde opbouw van belasting maakt dat de risico’s in de kliniek lag tot matig zijn. Bij snelle afbouw van de intensieve klinische zorgen binnen tbs kader zijn deze echter hoog. Dit ook al door gebrekkig ziekte-inzicht waardoor betrokkene de noodzaak van medicatiegebruik onvoldoende intrinsiek erkent.
Deze beide risico-inschattingsmethodieken samengevoegd is de conclusie dat bij voortzetting van het huidige beleid van zeer geleidelijk toewerken naar resocialisatie de risico’s laag tot matig zijn, bij te snelle afbouw van kader en behandelintensiteit zijn deze risico’s matig hoog tot hoog. (…)
Ten aanzien van het risicomanagement
Het huidige risicomanagement wordt gekenmerkt door hoog gedoseerde antipsychotische medicatie, voorlichting over psychotische stoornissen via de Liebermann modules, verruiming van bewegingsvrijheid en toewerken naar een plaatsing op een gesloten behandelafdeling in de reguliere psychiatrie. Vanuit de sociotherapie is een sterk steunende en structurerende bejegening. Dit lijkt gelijk het optimale risicomanagement voor betrokkene in deze fase. Meer dan voorheen wordt betrokkene behandeld en bejegend als een gehandicapte man, een chronische psychiatrische patiënt, wat recht doet aan de problematiek en daarmee is dit adequaat risicomanagement. Ondergetekende onderschrijft daarmee dan ook het risicomanagement van de huidige kliniek.
Ten aanzien van de verlenging en de voortzetting van de verpleging
Vanuit de bovenstaande overwegingen, met name de risico-inschatting en noodzaak van een zeer geleidelijke en gekaderde opbouw van verlof en resocialisatie, acht ondergetekende voortzetting van de tbs met twee jaar noodzakelijk om in die twee jaar vorm te geven aan deze resocialisatie. Hieruit vloeit voort dat de verpleging vooralsnog ook gehandhaafd dient te worden.(…)’