ECLI:NL:RBSHE:2012:BX4772

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
248438/FT-RK 12.984
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 288 lid 2 sub b FwArt. 48 lid 1 Wet op het consumentenkrediet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk wegens ontbreken minnelijke schuldregeling

Verzoeker diende op 11 juni 2012 een verzoekschrift in voor toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank behandelde het verzoek op 6 augustus 2012, waarbij verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder werden gehoord.

De gemeentelijke kredietbank had geen minnelijk traject gestart omdat zij oordeelde dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan. Verzoeker ontving op 6 maart 2012 een brief waarin medegedeeld werd dat vanwege deze reden geen medewerking aan schuldregeling werd verleend.

De rechtbank overweegt dat de wetgever vereist dat eerst een minnelijke regeling wordt geprobeerd bij een aangewezen instantie alvorens het wettelijke traject te starten. Omdat verzoeker geen concreet aanbod aan schuldeisers heeft gedaan en de kredietbank het minnelijke traject heeft geweigerd, is geen deugdelijke poging tot buitengerechtelijke schuldregeling gedaan.

De rechtbank benadrukt dat het oordeel over de goede trouw van verzoeker aan haar toekomt en niet aan de kredietbank. Tevens vindt de rechtbank de duur van het traject bij de kredietbank onaanvaardbaar lang. Gelet op het ontbreken van een deugdelijke poging tot buitengerechtelijke schuldregeling verklaart de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk op grond van artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet volgen van een deugdelijke minnelijke schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Rekestnummer : 248438/FT-RK 12.984
Niet- ontvankelijkverklaring
In de zaak van:
[verzoeker],
[woonplaats]
hierna te noemen: verzoeker,
is op 11 juni 2012 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet Pro (hierna: Fw). Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 6 augustus 2012. Verzoeker en zijn beschermingsbewindvoerder mevrouw T. Peters zijn daarbij gehoord.
In de bij onderhavig verzoekschrift gevoegde verklaring heeft de gemeentelijke kredietbank medegedeeld dat er geen minnelijke traject is gestart, omdat de schulden van verzoeker niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan. De gemeentelijke kredietbank heeft verzoeker per brief van 6 maart 2012 medegedeeld dat om voornoemde reden geen enkele medewerking wordt verleend aan enige vorm van schuldregeling.
Ingevolge artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro dient in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage onder meer te worden opgenomen, een met redenen omklede verklaring waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.
De wetgever heeft bij de invoering van de wettelijke schuldsaneringsregeling het volgende overwogen:
“Zonder een verklaring dat de schuldenaar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om met zijn schuldeisers tot een minnelijk vergelijk te komen kan de regeling niet (…) van toepassing worden verklaard.”
(Kamerstukken II 1997/1998, 25672, nr. 3, p.4).
Artikel 288 lid 2 aanhef Pro en onder sub b Fw luidt:
“Het verzoek wordt evenwel afgewezen indien de poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet”
In de wetsgeschiedenis luidt de toelichting op artikel 288 lid 2 sub b Fw Pro als volgt:
“Dit amendement zorgt ervoor dat de schuldenaar verplicht is eerst een minnelijke regeling te volgen bij een daarvoor aangewezen instantie. Hierdoor wordt geregeld dat de schuldenaar ‘er klaar voor is‘ en om er voor te zorgen dat het minnelijke traject daadwerkelijk versterkt wordt, alvorens men start aan het wettelijke traject. “
(Kamerstukken II 2006/2007, 29 942, nr. 20)
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzoeker een reële poging dient te doen om aan zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Indien de schuldenaar niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling is gekomen, dient het verzoekschrift een met redenen omklede verklaring te bevatten dat daartoe geen reële mogelijkheden zijn.
In onderhavig geval is de schuldeisers nimmer een concreet aanbod gedaan, omdat de schulden van verzoeker volgens de gemeentelijke kredietbank niet te goeder trouw zouden zijn ontstaan. Indien verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw zou zijn geweest, behoeft dat naar het oordeel van de rechtbank niet te betekenen dat er geen minnelijke schuldregeling mogelijk is. Sterker nog, indien het gebrek aan bedoelde goede trouw aan een eventuele toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg staat, ligt het juist voor de hand de mogelijkheid van een minnelijke regeling extra zorgvuldig te onderzoeken.
De rechtbank merkt voorts op dat het niet aan de gemeentelijke kredietbank, maar aan de rechtbank is om op grond van alle omstandigheden van het geval te beoordelen of verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden te goeder trouw is.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat uit de brief d.d. 6 maart 2012 van de gemeentelijke kredietbank aan verzoeker blijkt dat verzoeker reeds op 6 december 2010 een aanvraag schuldregeling had ingediend. De rechtbank is van mening dat de duur van het traject bij de gemeentelijke kredietbank – mede gelet op de uiteindelijke beslissing van de kredietbank – onaanvaardbaar lang is geweest.
Nu voorafgaand aan het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen deugdelijke poging is ondernomen om te komen tot een buitenrechtelijke schuldregeling verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk op grond van artikel 285 lid 1 sub f Fw Pro.
Beschikkende
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Gewezen door mr. M.G.A. Poelman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.