ECLI:NL:RBSHE:2012:BX5645

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/840919-11
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende overtuiging van afsnijden scootmobiel en verkeersongeval

Op 15 augustus 2011 vond in Uden een verkeersongeval plaats waarbij een scootmobiel ten val kwam en het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte werd beschuldigd van roekeloos rijgedrag door het afsnijden van de scootmobiel en het veroorzaken van het ongeval, alsmede van het verlaten van de plaats van het ongeval.

De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer en een getuige die stelden dat verdachte de scootmobiel had afgesneden. Verdachte en zijn echtgenote verklaarden echter kort na het incident onafhankelijk van elkaar dat verdachte voldoende ruimte had geboden en dat het slachtoffer door een eigen stuurmanoeuvre ten val was gekomen. Er was geen technisch onderzoek of gedetailleerde situatieschets aanwezig.

De rechtbank vond het bewijs onvoldoende overtuigend om verdachte schuldig te verklaren. De verklaringen van verdachte en zijn echtgenote werden als consistent en betrouwbaar beoordeeld, terwijl de belastende verklaring van het slachtoffer pas na twee maanden en na een eerdere getuigenverklaring was afgelegd. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank oordeelde tevens dat de verkeersfout niet ernstig genoeg was om van schuld in de zin van de Wegenverkeerswet te spreken en dat het letsel van het slachtoffer niet zwaar genoeg was. De vrijspraak werd uitgesproken op 7 augustus 2012 door de meervoudige kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuiging dat hij de scootmobiel heeft afgesneden en het ongeval heeft veroorzaakt.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/840919-11
Datum uitspraak: 07 augustus 2012
Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1938],
wonende te [woonplaats], [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juli 2012.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 juni 2012. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 24 juli 2012 is gewijzigd (bijlage 1) is aan verdachte ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 augustus 2011 te Uden als verkeersdeelnemer, namelijk
als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de
weg, de Liessentstraat,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval
heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en/of onoplettend,
gekomen ter hoogte van de Frontstraat, rechtsaf de Frontstraat is ingereden,
althans doende is geweest in te rijden, op een moment dat een in gelijke
richting rijdende scootmobiel, zich rechts naast dan wel kort achter het door
hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, bevond,
en/althans,
daarbij geen voorrang te verlenen aan genoemde scootmobiel,
waardoor, althans mede waardoor, laatgenoemde scootmobiel, teneinde een
aanrijding met het door verdachte bestuurde motorrijtuig te voorkomen, is
uitgeweken, althans is gaan uitwijken, tengevolge waarvan de scootmobiel ten
val is gekomen,
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te
weten een hersenschudding en/of een elleboog fractuur, of zodanig lichamelijk
letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de
uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 15 augustus 2011 te Uden als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Liessenstraat,
gekomen ter hoogte van de Frontstraat, rechtsaf de Frontstraat is ingereden,
althans doende is geweest in te rijden, op een moment dat een in gelijke
richting rijdende scootmobiel, zich rechts naast dan wel kort achter het door
hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, bevond,
en/althans,
daarbij geen voorrang te verlenen aan genoemde scootmobiel,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
(artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994)
2.
hij op of omstreeks 15 augustus 2011 te Uden als bestuurder van een
motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een
verkeersongeval was veroorzaakt op de Liessenstraat/Frontstraat, de plaats van
het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of
redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of
schade was toegebracht;
[artikel 7 Wegenverkeerswet Pro 1994]
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
Feit 1 kan worden bewezen. Uit de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige 1] volgt dat verdachte met zijn personenauto rechtsaf is geslagen en daarbij de zich rechts naast hem bevindende aangeefster op haar scootmobiel heeft afgesneden waardoor deze ten val
is gekomen. Er is geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Volgens verdachte maakte de persoon op de scootmobiel een onzekere indruk
en vertoonde deze slingerend rijgedrag. Verdachte had met deze omstandigheden rekening moeten houden toen hij rechtsaf sloeg. De verkeersfout van verdachte is gegeven de omstandigheden voldoende ernstig om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Er is sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. Aangeefster heeft door het ongeval een hersenschudding en een elleboogfractuur opgelopen. Zij heeft haar elleboog 2,5 maanden niet kunnen gebruiken. Aldus is er sprake van zwaar lichamelijk letsel.
Feit 2 kan eveneens worden bewezen. Uit de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote [getuige 2] volgt dat verdachte in de achteruitkijkspiegel heeft gezien dat er iets met (de persoon op) de scootmobiel was gebeurd. Ondanks deze wetenschap is hij doorgereden.
De navolgende straf is op zijn plaats (bijlage 2):
- een geldboete van 1.000 euro (subsidiair 20 dagen hechtenis), waarvan 500 euro (subsidiair
10 dagen hechtenis) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De geldboete kan
eventueel in termijnen worden voldaan;
- een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2
jaren.
Het standpunt van de verdediging.
Het dossier bevat geen foto's van de plaats van het ongeval en de zich in het dossier bevindende situatieschets is niet gedetailleerd. De feitelijke toedracht zal dan ook door
de inhoud van diverse verklaringen helder gemaakt moeten maken.
Verdachte en zijn echtgenote [getuige 2] zijn op 15 augustus 2011, heel kort na het incident, door verschillende verbalisanten onafhankelijk van elkaar gehoord. Zij hebben op hoofd-lijnen gelijkluidende verklaringen afgelegd. Uit deze verklaringen volgt in de kern dat verdachte aangeefster niet heeft afgesneden. Verdachte heeft aangeefster voldoende ruimte geboden toen hij rechtsaf sloeg. Ook verklaren zij over de aanwezigheid op het onderhavige kruispunt van een vrachtwagen die een achteruit instekende manoeuvre uitvoerde. Verdachte en getuige [getuige 2] hebben ter zitting hun versie van de toedracht uitdrukkelijk herhaald. Volgens verdachte stemt deze versie ook overeen met de allereerste verklaring die aangeefster tegenover de politie heeft afgelegd. Aangeefster zou door een eigen stuur-manoeuvre ten val zijn gekomen. Verdachte heeft op een later tijdstip van een verbalisant vernomen dat aangeefster dat had verklaard. Deze eerste verklaring van aangeefster zit opmerkelijk genoeg niet in het dossier. Het dossier bevat enkel een belastende verklaring van aangeefster d.d. 29 oktober 2011, meer dan twee maanden na het incident, waarin zij verklaart over een afsnijdende stuurmanoeuvre door verdachte. Deze verklaring is opvallenderwijs eerst afgelegd nadat getuige [getuige 1] in zijn verklaring d.d. 30 september 2011 over afsnijdend rijgedrag van verdachte verklaart. Het lijkt er op dat aangeefster haar verklaring heeft aangepast. Er is reden om aan de juistheid van de belastende verklaring van aangeefster te twijfelen. Daarentegen is er geen enkele aanleiding om aan de juistheid van de consistente en met elkaar overeenstemmende verklaringen van verdachte en getuige [getuige 2] te twijfelen. Verdachte dient dan ook te worden vrij-gesproken van feit 1 primair en subsidiair en daarmee tevens van feit 2.
Vrijspraak voor feit 1 primair dient ook te volgen omdat de onderhavige enkele verkeersfout onvoldoende ernstig is om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenver- keerswet 1994 en omdat aangeefster geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt voorop dat er slechts summier onderzoek is verricht naar de feitelijke toedracht van het incident. Zo is er kennelijk geen technisch onderzoek verricht en bevat het dossier geen enkele foto van de plaats van het ongeval. Het dossier bevat enkel een weinig gedetailleerde situatieschets (blz. 9). Deze situatieschets geeft geen enkel uitsluitsel voor wat betreft de breedte van de fietsstrook waarop aangeefster zich bevond, de breedte van de rijbaan waarop verdachte zich bevond of de afmetingen van het kruispunt. Evenmin kan uit deze situatieschets de exacte positie en de onderlinge afstand van de betrokken voertuigen ten opzichte van elkaar worden afgeleid. Tot slot is verzuimd de positie van de vrachtwagen waarover verdachte en getuige [getuige 2] verklaren op de situatieschets in te tekenen.
Deze onduidelijkheden leiden ertoe dat de rechtbank voor wat betreft de vaststelling en beoordeling van de feitelijke toedracht in overwegende mate afhankelijk is van de inhoud en waardering van de zich in het dossier bevindende verklaringen van de diverse betrokkenen.
Het dossier bevat in het kort gezegd de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote [getuige 2], inhoudende - kort gezegd - dat verdachte aangeefster voldoende ruimte heeft geboden toen hij rechtsaf sloeg en haar dus niet heeft afgesneden, en de op dat onderdeel andersluidende verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1].
De rechtbank constateert dat verdachte en zijn echtgenote [getuige 2] op 15 augustus 2011, heel kort na het incident, door verschillende verbalisanten en onafhankelijk van elkaar zijn gehoord en dat zij hierbij op hoofdlijnen eenduidig hebben verklaard.
Daartegenover stelt de rechtbank vast dat aangeefster eerst ruim twee maanden na het onderhavige incident een belastende verklaring heeft afgelegd en dat deze verklaring is afgelegd na een eerdere belastende verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 30 september 2011.
De rechtbank hecht grote waarde aan de omstandigheid dat verdachte en [getuige 2] zeer kort na het ongeval, onafhankelijk van elkaar, overeenstemmende verklaringen hebben afgelegd.
Uitgaande van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] en getuige [getuige 1] is het wettige bewijs voorhanden dat verdachte aangeefster zou hebben afgesneden. Echter, gelet op
de uitdrukkelijke wijze waarop (met name) verdachte en getuige [getuige 2] ter zitting
hun eerdere - zoals hiervoor vermeld, kort na het ongeval onafhankelijk van elkaar afgelegde overeenstemmende - verklaringen hebben herhaald en de oprechte indruk die
zij daarbij op de rechtbank hebben gemaakt, heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] daadwerkelijk heeft afgesneden. De rechtbank zal verdachte
dan ook vrijspreken van feit 1 primair en feit 1 subsidiair. Dit oordeel brengt tevens met
zich mee dat feit 2 niet kan worden bewezen, zodat verdachte ook daarvan dient te worden
vrijgesproken.
DE UITSPRAAK
T.a.v. feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2:
vrijspraak
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. W. Schoorlemmer en mr. E. Sikkema, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,
en is uitgesproken op 7 augustus 2012.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.