ECLI:NL:RBSHE:2012:BY7542

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
31 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/820154-12
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 10 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf en ontzegging rijbevoegdheid voor veroorzaken dodelijk verkeersongeluk met vrachtwagen

Op 25 juli 2011 veroorzaakte verdachte, een ervaren vrachtwagenchauffeur, een dodelijk verkeersongeval in Maarheeze door met zijn vrachtwagen harder te rijden dan toegestaan, onvoldoende rechts te houden en gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden. Dit leidde tot een botsing met een personenauto, bestuurd door het slachtoffer, die hierdoor overleed.

De rechtbank achtte het gedrag van verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig en verwierp zijn verweer dat hij dacht tussen de onderbroken strepen te moeten blijven rijden. Verdachte heeft zijn spijt betuigd en erkende het leed dat hij de nabestaanden heeft aangedaan. Door het ongeval verloor hij zijn baan en woning en kampt hij met psychische problemen.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 uur werkstraf, 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 24 maanden ontzegging rijbevoegdheid wegens veroorzaken dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/820154-12
Datum uitspraak: 31 december 2012
Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[ verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
wonende: [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2012.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 september 2012.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 25 juli 2011 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een
vrachtwagen met aanhanger), daarmede rijdende over de weg Philipsweg, zich
zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden, immers heeft hij, verdachte, roekeloos, in elk geval zeer, althans
aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met de door hem bestuurde
vrachtwagen met aanhangwagen, gereden over die Philipsweg en bij het naderen
en/of ingaan van een (flauwe) bocht:
- harder gereden dan de wettelijk toegestane snelheid van 60 kilometer per uur
ter plaatse en/of (daarbij)
- onvoldoende rechts gehouden en/of (vervolgens)
- geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer gereden,
terwijl uit de voor hem, verdachte, tegengestelde richting een (personen)auto
bestuurd door [slachtoffer] was genaderd, waarbij en/of waardoor hij,
verdachte, met de door hem bestuurde vrachtwagen met aanhangwagen tegen de
door voormoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto is aangereden en/of gebotst,
waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
(artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 juli 2011 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, als
bestuurder van een voertuig (vrachtauto met aanhangwagen), daarmee rijdende op
de weg, Philipsweg, zich zodanog heeft gedragen dat gevaar op die weg werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd
gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers heeft verdachte rijdende op de
Philipsweg en bij het naderen en/of ingaan van een (flauwe) bocht:
- harder gereden dan de wettelijk toegestane snelheid van 60 kilometer per uur
ter plaatse en/of (daarbij)
- onvoldoende rechts gehouden en/of (vervolgens)
- geheel of gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer gereden,
terwijl uit de voor hem, verdachte, tegengestelde richting een (personen)auto
bestuurd door [slachtoffer] was genaderd, waarbij en/of waardoor hij,
verdachte, met de door hem bestuurde vrachtwagen met aanhangwagen tegen de
door voormoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto is aangereden en/of gebotst,
waardoor die [slachtoffer] werd gedood;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
(artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994)
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat verdachte als ervaren vrachtwagenchauffeur, bekend met de situatie ter plaatse, harder dan de voor de situatie ter plaatse geëigende snelheid, een bocht naar links is ingegaan waarbij hij onvoldoende rechts heeft gehouden en op de voor het tegemoet komende verkeer bestemde rijbaanhelft heeft gereden en daar in botsing is gekomen met het slachtoffer. Verdachte heeft daarmee aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gehandeld
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ruim dertig jaar als vrachtwagenchauffeur werkzaam is geweest. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte meer dan gemiddeld rijvaardig is en dat van hem verwacht mag worden dat hij zich zorgvuldig opstelt in het verkeer. Verdachte heeft bij het nemen van een flauwe, naar hij ter zitting verklaarde, door bosschages onoverzichtelijke bocht de aldaar hem tegemoetkomende personenauto van het slachtoffer geen ruimte gelaten met zeer ernstige gevolgen.
Het verweer van verdachte dat hij meende dat hij tussen de onderbroken strepen moest (blijven) rijden, acht de rechtbank ongeloofwaardig en is ook niet overeenkomstig de kennis van de verkeersregels die van een beroepschauffeur mag worden verwacht. Bovendien had verdachte kunnen zien dat dergelijk rijgedrag voor tegemoetkomend verkeer geen ruimte liet en had hij dus meer rechts moeten gaan (en blijven) rijden
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
Primair:
op 25 juli 2011 te Maarheeze, gemeente Cranendonck, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen met aanhanger), daarmede rijdende over de weg, Philipsweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
immers heeft hij, verdachte, aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, met de door hem bestuurde vrachtwagen met aanhangwagen, gereden over die Philipsweg en bij het naderen
en/of ingaan van een (flauwe) bocht:
- harder gereden dan de wettelijk toegestane snelheid van 60 kilometer per uur ter plaatse en (daarbij)
- onvoldoende rechts gehouden en (vervolgens)
- gedeeltelijk op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer gereden, terwijl uit de voor hem, verdachte, tegengestelde richting een (personen)auto bestuurd door [slachtoffer] was genaderd, waarbij hij, verdachte, met de door hem bestuurde vrachtwagen met aanhang- wagen tegen de door voornoemde [slachtoffer] bestuurde personenauto is aangereden, waardoor die [slachtoffer] werd gedood
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en kwalificeert het rijgedrag van verdachte als zeer onoplettend en onvoorzichtig.
De officier van justitie eist:
- een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis;
- gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden in het nadeel van verdachte te weten dat verdachte enkele keren eerder terzake overtreding van de Wegenverkeerswet werd veroordeeld. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte de ouders van het slachtoffer, zoals uit een door hen overgelegde en ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt, zeer groot en onherstelbaar leed heeft aangedaan.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte de ernst van het door hem aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed inziet en dat hij ter terechtzitting oprecht zijn spijt heeft betuigd over het ongeval.
Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte zelf is getroffen door de gevolgen van het door hem gepleegde strafbare feit in die zin dat hij zijn baan en zijn huis is kwijt geraakt en het feit voor hem grote financiële gevolgen met zich heeft gebracht. Door het ongeval is verdachte niet meer in staat als vrachtwagenchauffeur te werken. Verder heeft hij psychische problemen gekregen waarvoor hij nog steeds onder behandeling is van een psycholoog.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot een andere kwalificatie van het feitelijk handelen van verdachte dan de officier van justitie en de rechtbank voorts van oordeel is dat de op te leggen straf passend is en de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden.
De rechtbank zal deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarnaast acht de rechtbank het opleggen van een werkstraf van na te melden duur passend.
De rechtbank zal verdachte bovendien een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur opleggen. De rechtbank zal deze ontzegging van de rijbevoegdheid voor een deel voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
Wetboek van Strafrecht art. 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d
Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.
DE UITSPRAAK
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
primair
Overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval
betreft waardoor een ander wordt gedood
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).
T.a.v. primair:
Werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis
T.a.v. primair:
Gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren
T.a.v. primair:
Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder
begrepen) voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaren
Dit vonnis is gewezen door:
mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. P.A. Buijs en mr. M.M.J. Nuijten, leden,
in tegenwoordigheid van L.F.M. Schulte, griffier,
en is uitgesproken op 31 december 2012.
Mr. P.A. Buijs en mr. M.M.J. Nuijten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.