Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
Artikel 27, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, ten derde, opgelegd, niet is nagekomen het Lisv de uitkering blijvend of geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Lisv de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.
Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de WW weigert het Lisv, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder ten tweede, opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser door uit het dienstverband met P van 10 uur per week ontslag te nemen, verwijtbaar werkloos is geworden. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser had kunnen blijven werken bij P en dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat hij het schoonmaakwerk niet motiverend vond. Dat eiser via Manpower een volledige baan had kunnen krijgen als hij niet op 17 februari 1997 ziek zou zijn geworden, acht de rechtbank -nu eiser dit zonder nadere onderbouwing eerst ter zitting heeft aangevoerd- onvoldoende aangetoond. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser destijds zowel aan verweerder als aan P respectievelijk zijn gebrek aan motivering en het niet fijn vinden van het werk als redenen voor ontslagname heeft meegedeeld. De rechtbank is van oordeel dat uit deze motivering voor zijn ontslagname niet blijkt van zodanige bezwaren aan voortzetting van de dienstbetrekking met P dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van eiser gevergd kon worden.
Met betrekking tot de opgelegde maatregel acht de rechtbank allereerst van belang vast te stellen of verweerder terecht en op goede gronden een maatregel van 35% gedurende 26 weken heeft opgelegd op de WW-uitkering op basis van 38 arbeidsuren, terwijl eiser verwijtbaar werkloos is geworden uit een dienstbetrekking van 10 uren per week
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het systeem van de WW dat het recht op WW-uitkering afhangt van het aantal uren waarover arbeid is verloren: het arbeidsurenverlies. Over die uren bestaat indien aan alle voorwaarden wordt voldaan in beginsel recht op uitkering. In geval van eiser is in verband met de aanvaarding van de dienstbetrekking bij P het recht op WW-uitkering gedeeltelijk, voor 10 uren, beëindigd. Vervolgens wordt eiser uit deze dienstbetrekking weer werkloos en kan worden geconstateerd dat hij voor het werk bij P geen nieuw recht op WW-uitkering heeft opgebouwd zodat zijn gedeeltelijk beëindigde WW-uitkering in beginsel voor 10 uur herleeft. De herleving van zijn recht op WW-uitkering als gevolg van die beëindigde dienstbetrekking strekt zich derhalve niet uit over 38 uren op basis waarvan eiser destijds WW-uitkering is toegekend, maar is beperkt tot 10 uren.
Gelet op deze systematiek van vaststelling van het recht op WW-uitkering waarbij het arbeidsurenverlies bepalend is voor dat recht acht de rechtbank het opleggen van een maatregel op de WW-uitkering op basis van 38 uren, terwijl het gaat om verwijtbare werkloosheid bij herleving van het WW-recht voor 10 uren, in strijd met artikel 24, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel b, van de WW. Immers de maatregel wordt dan ook toegepast op uren waarover eiser niet verwijtbaar werkloos is. De rechtbank ziet hier een analogie met het bepaalde in artikel 27, tweede lid, juncto artikel 24, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, van de WW. Op grond van het tweede lid van artikel 27 van de WW wordt, indien een werknemer verwijtbaar nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt, de uitkering geweigerd over het aantal uren waarover het recht zou zijn geëindigd indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.
Dat Gak Nederland b.v. als uitvoeringsinstelling van verweerder als bestendige gedragslijn of beleid voert dat een maatregel van 35% gedurende 26 weken wordt opgelegd, indien een blijvend gehele weigering meer uren zou betreffen dan de dienstbetrekking waaruit men verwijtbaar werkloos is geworden, kan aan het voorgaande niet afdoen. Dat voormelde systematiek in de WW ertoe kan leiden dat in andere situaties als die van eiser de gevolgen van de maatregel zwaarder kan zijn dan in het door Gak Nederland b.v. gevoerde beleid, kan hieraan evenmin afdoen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte een maatregel heeft opgelegd op het recht op WW-uitkering op basis van 38 uren. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met de systematiek van de WW in samenhang bezien en zoals neergelegd in de artikelen 16, 20, 24 en 27 van de WW voor vernietiging in aanmerking. Ter voorlichting van eiser merkt de rechtbank op dat het voorgaande niet betekent dat verweerder bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar geheel af dient te zien van het opleggen van een maatregel. Daarbij merkt de rechtbank ten aanzien van eisers beroep op een dringende reden op grond waarvan afgezien zou moeten worden van het opleggen van een maatregel, op dat de rechtbank voorshands niet is gebleken van een dergelijke reden. Het enkele bestaan van financiële problemen acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Eisers financiële problemen bestonden al ten tijde van het opleggen van een maatregel en niet duidelijk is -zoals eiser suggereert- dat eiser door de opgelegde maatregel vanwege een huurschuld zijn woning heeft moeten opgeven. Verder blijkt uit de overgelegde brief van de psychiater niet dat eisers psychische problemen voortkomen uit zijn financiële problemen.
Gelet op het vorenoverwogene is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op f 14,- als reiskosten.
De rechtbank beslist als volgt.