Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBUTR:1999:AF0491

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
21 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/460
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • H.G. Ruijs
  • W.W. de Nijs Bik
  • G.C. van Kekem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens detentie verzoeker

Verzoeker heeft op 7 juli 1999 een verzoek ingediend tot toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Dit verzoek is behandeld op 30 augustus 1999, waarbij verzoeker aanwezig was maar niet bijgestaan door een raadsman. Verzoeker bevond zich op dat moment in voorlopige hechtenis en had geen duidelijkheid over zijn nabije toekomst.

De rechtbank heeft verzoeker de gelegenheid gegeven om nader advies in te winnen over de gevolgen van de schuldsaneringsregeling voor zijn situatie. Ondanks dat de raadsman in de strafzaak een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis had ingediend, werd dit verzoek afgewezen en bleef de strafzaak aangehouden.

De rechtbank overweegt dat de schuldsaneringsregeling bedoeld is om natuurlijke personen die in financiële problemen verkeren een nieuwe start te bieden, zonder dat bevrediging van schuldeisers een voorwaarde is. Tegelijkertijd wordt van de schuldenaar verwacht dat hij zoveel mogelijk bijdraagt aan de afwikkeling van zijn schulden.

Omdat verzoeker door zijn detentie onvoldoende aan deze inspanningsverplichting kan voldoen, wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens detentie van verzoeker.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht
Meervoudige kamer
X., wonende te P.
thans gedetineerd in de ...
verzoeker,
Verloop van de procedure
Verzoeker heeft op 7 juli 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 30 augustus 1999, Verzoeker is verschenen, en is ter zitting niet bijgestaan door een raadsman.
Verzoeker heeft meegedeeld thans in voorlopige hechtenis te zitten en heeft vooralsnog geen duidelijkheid over de nabije toekomst. Hem is vervolgens de gelegenheid geboden nader advies in te winnen omtrent de gevolgen van de schuldsaneringsregeling in zijn situatie.
Bij brief van 31 augustus 1999, ingekomen ter griffie op 2 september 1999, heeft verzoeker laten weten zijn verzoek tot toepassing van de wet schuldsanering natuurlijke personen te handhaven.
De raadsman van verzoeker in zijn strafzaak, mr. A.M.C.J. B. , heeft deze rechtbank telefonisch laten weten dat hij in de strafzaak tegen verzoeker op 17 september 1999 een verzoek zal doen tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Deze rechtbank heeft de uitslag van dit laatste verzoek afgewacht alvorens een beslissing te nemen op het verzoek tot toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is afgewezen, de behandeling van de strafzaak is voor onbepaalde tijd aangehouden.
Overweging
Uit de memorie van toelichting van de Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22969, nr. 3, pagina 6, blijkt dat de wettelijke regeling van de schuldsanering als hoofddoel heeft het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bevrediging van schuldeisers geen voorwaarde kan zijn voor het bieden van uitzicht aan natuurlijke personen om als het ware weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar moet echter tegenover staan dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker zolang hij gedetineerd is onvoldoende aan bedoelde inspanningsverplichting zal kunnen voldoen en dat zulks voor zijn risico komt, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mrs. H.G. Ruijs, voorzitter, W.W. de Nijs Bik en G.C. van Kekem, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.