ECLI:NL:RBUTR:2000:AA9083
Rechtbank Utrecht
- Hoger beroep
- P.W. van Schendel
- C.A.M. Walsteijn
- M.A. Broekhuis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag wegens bereiken 65-jarige leeftijd
In deze civiele procedure staat centraal of het ontslag van [appellant] bij [geïntimeerde] louter vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd een kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst oplevert. [Appellant] betoogt dat dit ontslag discriminerend is en onredelijk, terwijl [geïntimeerde] dit ontkent.
De rechtbank stelt vast dat het ontslag niet geschiedde onder opgave van een voorgewende of valse reden en dat de beëindiging niet disproportioneel is gezien de belangen van werkgever en werknemer. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad uit 1995, waarin is geoordeeld dat het bereiken van de 65-jarige leeftijd als objectief criterium een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond kan vormen.
De rechtbank benadrukt dat de maatschappelijke en wettelijke context nog steeds uitgaat van het beëindigen van het arbeidsproces rond de 65-jarige leeftijd, mede vanwege pensioenregelingen en sociale zekerheidswetgeving. De werknemer had mogelijkheden om aanvullend inkomen te regelen en wordt geacht zich op de arbeidsmarkt te kunnen begeven.
Gelet op deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is en dat [geïntimeerde] als werkgever niet in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. Het vonnis van de kantonrechter wordt dan ook bekrachtigd en [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het ontslag wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd is niet kennelijk onredelijk en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.