ECLI:NL:RBUTR:2000:AE8720

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
20 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
SBR 99/2166
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Besluit tot ongegrondverklaring van beroep inzake dienstongeval na auto-ongeluk tijdens diensttijd

In deze zaak heeft de Rechtbank Utrecht op 20 juli 2000 uitspraak gedaan over een geschil tussen eiseres en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder, waarin het auto-ongeluk dat zij op 3 september 1998 had meegemaakt, niet als dienstongeval werd aangemerkt. Dit besluit was genomen na een eerdere beslissing van 4 maart 1999, waarin werd gesteld dat het ongeval niet voortvloeide uit de aard van de werkzaamheden van eiseres. Eiseres, die als medewerkster bij de dienst Stadsbeheer werkte, had in opdracht van haar afdelingshoofd gebak gehaald met een dienstauto, bestuurd door een collega, toen het ongeval plaatsvond. Eiseres leed aan whiplashklachten als gevolg van het ongeval, wat leidde tot een vermindering van haar arbeidstijd en een lagere functie.

Uitspraak

ARRONDISSENENTSRECHTBANK TE UTRECHT
reg. nr: SBR 99/2166
UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te Utrecht, e i s e r e s,
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht,
verweerder.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE-.
Bij besluit van 6 oktober 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen zijn besluit van 4 maart 1999, waarbij het op 3 september 1998 aan eiseres onder diensttijd overkomen auto-ongeluk niet als dienstongeval is aangemerkt, ongegrond verklaard.
Namens eiseres is tegen dat besluit op 9 november 1999 beroep bij deze rechtbank ingesteld.
Verweerder heeft op 13 december 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Desverzocht heeft verweerder op 23 mei 2000 nog schriftelijke informatie verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2000, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG- Nederland te Leusden. Verweerder is, ambtshalve daartoe opgeroepen, verschenen bij gemachtigden mw. S.H. Sordam en mw. T.C.M. Opperman-de Bruijn, arbo- deskundige bij de afdeling P&O van de dienst
Stadsbeheer van de gemeente Utrecht.
2. OVERWEGINGEN.
Eiseres was voor 32 uur per week medewerkster bij het bedrijfsbureau van de dienst Stadsbeheer en verrichtte ondersteunende werkzaamheden op het gebied van financiën ten behoeve van de projectleiders. Organisatorisch viel zij onder het secretariaat. Op 3 september 1998 is zij in opdracht van haar afdelingshoofd met de dienstauto, die werd bestuurd door een collega, voor een jarige collega gebak gaan halen. De dienstauto is betrokken geraakt bij een verkeersongeval. Ten gevolge van. dit ongeval heeft eiseres last van whiplash verschijnselen. Deze verschijnselen zijn zodanig ernstig dat zij haar arbeidstijd aanvankelijk heeft moeten verminderen naar 24 uur per week en inmiddels voor 50% in een lagere functie werkzaam is.
Op grond van de gegevens vermeld in een op 14 december 1998 opgesteld ongevalsrapport heeft de directeur van de dienst Stadsbeheer op 4 maart 1999 besloten dat het auto-ongeval niet was te wijten aan de aard van de werkzaamheden of bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, dat het om die redenen niet is aan te merken als dienstongeval en dat gelet op artikel 80j van het Algemeen Ambtenarenreglement (AAR) eventueel gemaakte kosten niet aan eiseres worden vergoed.
Namens eiseres is op 8 april 1999 tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweer- der. Op 15 juli 1999 is eiseres terzake van haar bezwaren gehoord, waarna het thans bestreden besluit is genomen.
In dat besluit heeft verweerder overwogen dat om een ziekte als dienstongeval aan te merken het volgens de jurisprudentie niet voldoende is dat de ziekte is ontstaan tijdens de diensturen en ook niet dat deze heeft plaats gevonden tijdens de uit- oefening van de functie en zelfs niet dat deze is ontstaan door de uitoefening van de functie van de betrokkene. Verweerder stelt dat vereist is dat sprake is van een duidelijke met de werkzaamheden samenhangende risicoverzwarende omstandigheid welke betrokkene noodlottig is geworden. Het karakter van de functie en de uitoefening van de in die functie verrichte werkzaamheden dient van dien aard te zijn, dat van enige vorm van samenhang met het ongeval sprake is.
Verweerder meent dat het halen van gebak niet tot de werkzaamheden van eiseres behoort, ook niet als dit in opdracht van het afdelingshoofd gebeurt. Deelname aan het verkeer is niet een duidelijke met de werkzaamheden van een administratief medewerkster samenhangende (objectiveerbare) risicoverzwarende omstandigheid. Het ongeluk had eiseres ook in privétijd kunnen overkomen.
Namens eiseres is in beroep aangevoerd dat anders dan verweerder aanvoert het (incidenteel) ophalen van gebak of vergelijkbare opdrachten geacht kan worden te vallen binnen het kader van de opgedragen werkzaamheden, indien althans daaraan een opdracht van een hoger geplaatste leidinggevende ten grondslag ligt. De op te dragen werkzaamheden kunnen ruimer uitvallen dan strikt genomen volgt uit de naar zijn aard beperkte functieomschrijving. Bovendien heeft een administratief medewerkster incidenteel en in beperkte mate ook een dienstverlenende taak buiten hetgeen de functieomschrijving aangeeft. Het is ook niet zo dat opdrachten die niet strikt binnen de functieomschrijving vallen als regel zonder meer geweigerd mogen worden.
De aan eiseres gegeven opdracht diende per dienstauto te worden uitgevoerd. Eiseres acht het evident dat het deelnemen aan het gemotoriseerde verkeer een risicoverhogende omstandigheid is die (in vergelijking met andere verkeersdeelne. mers) een verhoogde kans op ongevallen biedt.
Verweerder heeft in reactie hierop opgemerkt dat een redelijke interpretatie met betrekking tot een dienstongeval inderdaad met zich mee kan brengen dat van een dienstongeval ook gesproken kan worden wanneer het ongeval plaats vindt in een situatie waarin er weliswaar geen sprake is van een aan de functie of aan de omstandigheden waaronder deze moest worden uitgeoefend inherent risico, doch waarin wel omstandigheden onderkend kunnen worden die een zo grote samenhang vertonen met de feitelijke dienstuitoefening van een betrokkene dat zij daarvan in feite niet los kunnen worden gezien. Eiseres heeft verweerder echter niet kunnen overtuigen dat deelname aan het verkeer c.q. het halen van gebak niet los kan worden gezien van de feitelijke dienstuitoefening.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Niet in geding is dat eiseres in opdracht van haar directe chef gebak haalde en dat haar het aanbod was gedaan daarvoor de dienstauto gebruiken. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het uitvoeren van een dergelijke, als dienstbetoon te kwalificeren, opdracht naar zijn aard niet past binnen de kaders van de eigen functievervulling van eiseres.
Echter, daarmee is nog niet gezegd dat het aan eiseres in dat kader overkomen ongeval als dienstongeval is aan te merken.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Ingevolge artikel 74, tweede lid, van het AAR Utrecht geniet de ambtenaar, indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders, gehoord de bedrijfsgezondheids- dienst, blijkt dat de ziekte van de ambtenaar in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de hem opdragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en dat deze niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten, gedurende de verhindering wegens ziekte tot het einde van zijn dienstverband de volle bezoldiging.
Artikel 80e, eerste lid, dat ziet op toekenning van een aanvullende uitkering in geval van een dienstongeval, en artikel 80j, dat ziet op vergoeding van kosten van geneeskundige behandeling of verzorging als gevolg van een dienstongeval, bevatten hetzelfde toetsingscriterium.
De rechtbank neemt als vaststaand aan dat het feit dat eiseres een whiplash heeft opgelopen terwijl zij meereed in de dienstauto niet aan haar schuld of nalatigheid is te wijten.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding verweerder niet te volgen in diens opvatting dat de whiplashklachten van eiseres niet in overwegende mate hun oorzaak vinden in het vervullen van de dienstopdracht of de bijzondere omstandig- heden waaronder die opdracht moest worden vervuld. De rechtbank overweegt daartoe dat het halen van gebak op zich niet een verhoogd risico op het oplopen van letsel meebrengt. Verder kan het feit dat het gebak met de dienstauto werd gehaald niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Immers, het halen van gebak met een auto is een in het maatschappelijk verkeer niet ongebrui- kelijke activiteit. Bovendien brengt het deelnemen aan het verkeer hoe dan ook risico's met zich mee. De rechtbank ziet niet in dat enkel vanwege het feit dat dit risico zich bij het uitvoeren van een dienstopdracht heeft verwezenlijkt, sprake zou zijn van een dienstongeval in de betekenis die daaraan in de jurisprudentie wordt gegeven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden het aan eiseres overkomen ongeval niet heeft aangemerkt als dienstongeval.
Aangezien ook overigens niet is gebleken van een reden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, komt het beroep van eiseres voor ongegrondverklaring in aanmerking.
Gezien het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen.
3. BESLISSING.
De arrondissementsrechtbank te Utrecht,
recht doende,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.S.E. Wulfftaat-van Dijk, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2000.
de griffier:
J.D. Koteris
(bij afwezigheid van de behandelend griffier: mr. M.A.H. Strik)
het lid van de enkelvoudige karner:
M.S.E. Wuiffraat-van Dijk
Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.