ECLI:NL:RBUTR:2001:AB0831
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.H.C. van Ginhoven
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatiebedragen tussen ouders na beëindiging relatie
De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen, waarbij zij maandelijkse bijdragen van 750 gulden en 500 gulden voorstelde. De vader verzette zich tegen deze bedragen en voerde aan dat deze de behoefte van de kinderen te boven gingen en zijn draagkracht overschreden.
De rechtbank onderzocht de financiële situatie van beide partijen. De moeder heeft een netto inkomen van 1.600 gulden per maand en woont met de kinderen in een huurwoning. De vader heeft een bruto jaarinkomen van 93.626 gulden en bezit twee woningen, waarvan één samen met zijn nieuwe partner. De rechtbank hield rekening met de fiscale aspecten, noodzakelijke bestaanskosten en de verhouding van de kostenverdeling tussen ouders (drie-vijfde voor de vader, twee-vijfde voor de moeder).
De rechtbank verwierp het verweer van de vader dat hypotheeklasten en ziektekostenpremies in mindering gebracht moesten worden op zijn draagkracht, omdat deze kosten respectievelijk vermogensopbouw betreffen en reeds in de bedrijfsresultaten zijn verwerkt. Tevens werd geoordeeld dat de partner van de vader, gezien haar inkomen, in staat is om de helft van de hypotheeklasten van hun gezamenlijke woning te dragen.
Op grond van deze overwegingen stelde de rechtbank de kinderalimentatie vast op 750 gulden per maand voor het oudste kind en 500 gulden per maand voor het jongste kind, ingaande 1 juli 2000. De bijdragen dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan en zijn uitvoerbaar bij voorraad. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op 750 gulden en 500 gulden per maand, ingaande 1 juli 2000.