ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2234

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
20 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
128180 FA RK 01-1598
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Sijbrandij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie bijdrage na echtscheiding met inkomensstijging

De vrouw heeft een verzoek ingediend om de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind vast te stellen op ƒ 550 per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd en aangevoerd dat dit bedrag de werkelijke kosten van het kind overschrijdt, dat ook de vrouw een deel van de kosten moet dragen en dat het bedrag zijn draagkracht te boven gaat.

De rechtbank overweegt dat het huidige netto-inkomen van de man, ongeveer ƒ 3.300 per maand, hoger is dan het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, toen beide partijen werkloos waren. Daarom moet het huidige inkomen van de man als maatstaf dienen voor de behoefte van het kind, waarbij niet beide inkomens worden opgeteld om een onrealistisch welvaartsniveau te voorkomen.

De rechtbank begroot de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op ongeveer ƒ 490 per maand. De kosten worden verdeeld in 58% voor de man en 42% voor de vrouw, conform de stellingen van de vrouw die niet door de man zijn weersproken. Dit leidt tot een bijdrage van ƒ 284 per maand door de man.

De rechtbank wijzigt de eerdere beschikking van 6 december 1995 en legt de man op vanaf 23 maart 2001 deze bijdrage maandelijks vooruit te betalen aan de vrouw. De overige verzoeken worden afgewezen en partijen dragen hun eigen proceskosten. Bij niet-betaling door de man komen de executiekosten voor zijn rekening.

Uitkomst: De man moet vanaf 23 maart 2001 een bijdrage van ƒ 284 per maand betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Utrecht
BESCHIKKING
van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
procureur: mr. W.M.E. Oerlemans,
- t e g e n -
[de man],
wonende te [woonplaats],
procureur: mr. J. Ran.
1. Verloop van de procedure
De vrouw heeft op 23 maart 2001 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.
De man heeft op 30 maart 2001 een verweerschrift ingediend.
Er zijn van beide zijden nader stukken ontvangen.
De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 mei 2001.
2. Vaststaande feiten
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van 6 december 1995. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Utrecht op 25 januari 1996.
2. Uit hun huwelijk is geboren [het kind], op 2 november 1985 te [geboorteplaats].
3. Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is de vrouw alleen belast met het ouderlijk gezag over [het kind].
4. In deze beschikking is het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] afgewezen omdat de man voor een dergelijke bijdrage onvoldoende draagkracht had.
3. Beoordeling van het verzochte
De vrouw heeft verzocht de door de man ten behoeve van [het kind]te betalen bijdrage vast te stellen op ƒ 550,-- per maand.
De man heeft zich hiertegen verweerd. Hij heeft aangevoerd dat dit bedrag de kosten van [het kind] te boven gaat, dat ook de vrouw een gedeelte van de kosten van [het kind] dient te dragen en dat de gevraagde bijdrage zijn draagkracht te boven gaat.
kosten kind
De behoefte van kinderen wordt in beginsel bepaald overeenkomstig de door de rechtbank in zaken als de onderhavige als uitgangspunt genomen Nibud-normen. In het algemeen dient bij deze bepaling te worden uitgegaan van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. Voorzover het gezinsinkomen (ten tijde van het huwelijk) door beide ouders werd verdiend, dienen de beide netto inkomens bij elkaar worden opgeteld.
Wanneer evenwel het inkomen van de alimentatieplichtige gestegen is tot boven het niveau van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk dient dat hogere inkomen de maatstaf te zijn voor het bepalen van de behoefte van het kind. Het is immers redelijk dat het kind deelt in de toegenomen welstand van zijn alimentatieplichtige ouder.
In dat geval dienen echter niet langer beide inkomens bij elkaar te worden opgeteld, nu optelling zou leiden tot het aannemen van een welstand die het kind nooit gekend heeft en die ook de alimentatieplichtige in werkelijkheid niet kent.
In het onderhavige geval moet van het volgende worden uitgegaan. Ten tijde van de echtscheiding waren partijen beiden werkloos. Het netto-inkomen van de man bedraagt thans gemiddeld ongeveer ƒ 3.300,-- per maand. Het inkomen van de man is derhalve gestegen en bedraagt thans meer dan het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, zodat niet het inkomen tijdens het huwelijk maar het huidige inkomen van de man bepalend is voor de kosten van [het kind].
Uitgaande van een inkomen van ƒ 3.300,-- netto per maand en van de leeftijd van [het kind] begroot de rechtbank (het eigen aandeel van de ouders in) de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] op ongeveer ƒ 490,-- per maand.
verdeling kosten over partijen
Uitgangspunt is in het algemeen dat de kosten van een kind in beginsel door beide ouders gedragen worden, naar rato van hun inkomens. De vrouw heeft gesteld dat voor een dergelijke verdeling hier geen aanleiding is. Zij heeft dit echter niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwd, zodat dit verweer niet kan slagen.
Met betrekking tot de verdeling van de kosten over partijen gaat de rechtbank ervan uit dat 58% van de kosten gedragen dient te worden door de man en 42% door de vrouw, nu de vrouw heeft gesteld en de man niet weersproken dat deze verhouding de juiste zou zijn. Het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] bedraagt derhalve in beginsel ƒ 284,-- en het aandeel van de vrouw ƒ 206,--.
draagkracht man
Uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening blijkt niet dat zijn draagkracht niet toereikend is om een bijdrage van ƒ 284,-- ten behoeve van [het kind] te betalen, zodat de rechtbank als volgt zal beslissen.
ingangsdatum
De vrouw heeft verzocht de betalingsverplichting van de man te doen ingaan op 1 februari 2001. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ingangsdatum vroeger dan de datum van indiening van het verzoekschrift, zodat zij zal beslissen als na te melden.
4. Beslissing
De rechtbank wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 6 december 1995.
De man moet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 23 maart 2001 ƒ 284,-- (tweehonderd vierentachtig gulden) per maand betalen aan de vrouw, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
De beschikking van 6 december 1995 blijft voor het overige gehandhaafd.
De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.
Wanneer de man niet vrijwillig de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] betaalt, moet hij de daarvoor te maken executiekosten betalen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. Sijbrandij, in tegenwoordigheid van N.I. Ganzevoort, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2001.
w.g. griffier w.g. rechter