ECLI:NL:RBUTR:2001:AB2370
Rechtbank Utrecht
- Hoger beroep
- A.E. Olthuis
- Rechtspraak.nl
Wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag en alimentatieverplichting na echtscheiding
De moeder verzocht de rechtbank om wijziging van de beschikking van 20 december 1995, waarbij zij gezamenlijk gezag over de minderjarigen wilde laten vaststellen en een alimentatiebijdrage van de vader wilde afdwingen. De vader diende een verweerschrift in en betwistte een hogere bijdrage dan ƒ 100 per maand vanwege zijn financiële draagkracht.
De rechtbank stelde vast dat de zoon sinds oktober 2000 bij de moeder woont en dat hij bij haar wil blijven, wat een wijziging van omstandigheden oplevert. Ook voor de dochter werd een wijziging van omstandigheden aangenomen, omdat de ouders voortaan gezamenlijk gezag over de zoon zullen uitoefenen. Partijen waren het eens over het gezamenlijk gezag, wat in het belang van de minderjarigen werd geacht.
De rechtbank onderzocht de financiële situatie van de vader, die een salaris van ƒ 45.593 per jaar heeft en diverse schulden, waaronder een belastingschuld en een schuld aan zijn ouders. De vader kon onvoldoende bewijs leveren over de omvang en aflossing van deze schulden. Daarom werd zijn draagkracht vastgesteld op een bijdrage van ƒ 263 per maand voor de dochter.
De beschikking van 20 december 1995 werd gewijzigd: de ouders worden gezamenlijk belast met het gezag over beide minderjarigen en de vader moet een maandelijkse bijdrage van ƒ 263 aan de moeder betalen voor de verzorging en opvoeding van de dochter. De overige verzoeken werden afgewezen en partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijzigt het gezag naar gezamenlijk gezag en legt een alimentatiebijdrage van ƒ 263 per maand op aan de vader voor de dochter.