ECLI:NL:RBUTR:2001:AD3879
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bijdrage in kosten verzorging en opvoeding minderjarige kinderen bij co-ouderschap
De vrouw verzocht de rechtbank om vaststelling dat de man een bijdrage van ƒ 700 per kind per maand moet betalen voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. De man voerde verweer met het argument dat de zorg en kosten ongeveer gelijk verdeeld zijn en dat zijn draagkracht de gevraagde bijdrage niet toelaat.
De rechtbank stelde vast dat de kinderen 18 dagen per maand bij de vrouw verblijven en 12 dagen bij de man, en dat de vrouw als verzorgende ouder wordt beschouwd. De rechtbank hanteerde een draagkrachtberekening met een percentage van 52,5% en hield rekening met forfaitaire kosten voor de dagen dat de kinderen bij de man zijn. De man ontving kinderbijslag en had geen recht op bijzondere heffingskortingen.
De man had onvoldoende bewijs geleverd dat bepaalde vergoedingen als verkapt inkomen moesten worden beschouwd en dat zijn opgevoerde bijzondere kosten en werkelijke verwervingskosten onderbouwd waren. De hypotheeklasten werden als huurlasten beschouwd omdat de woning aan zijn partner toebehoorde.
De rechtbank concludeerde dat de man in staat is om ƒ 550 per kind per maand te betalen. De man moet deze bijdrage vanaf heden bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoen. Overleg tussen partijen over kosten bleek niet mogelijk en de rechtbank wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De man moet ƒ 550 per kind per maand betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen.