ECLI:NL:RBUTR:2001:AD4592
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- G.A.M.E. van der Burg-van Geest
- Rechtspraak.nl
Vordering tot afgifte van hond na beëindiging samenwoning wegens eigendomsrecht
Eiser en gedaagde hebben een affectieve relatie gehad en enkele jaren samen gewoond. Tijdens hun samenwoning deelden zij de zorg voor een Spaanse windhond die eiser in juni 1995 in Spanje had gekocht. Na de beëindiging van hun relatie in augustus 2000 heeft gedaagde de hond zonder overleg meegenomen en ondergebracht bij haar ouders.
Eiser vordert in kort geding de afgifte van de hond op grond van eigendom. Gedaagde stelt dat eiser haar de hond heeft geschonken voordat zij gingen samenwonen en dat de eigendom daardoor aan haar is overgedragen. Zij verklaart dat zij tijdelijk voor de hond heeft gezorgd omdat eiser zijn woning moest verlaten en geen andere opvang had.
De rechtbank stelt vast dat het welzijn van de hond niet doorslaggevend is, maar het eigendom. Gedaagde erkent dat eiser de hond heeft gekocht, maar haar stelling van eigendomsoverdracht wordt niet ondersteund door de feiten. De tijdelijke zorgoverdracht impliceert geen eigendomsoverdracht. Omdat gedaagde de hond zonder toestemming heeft meegenomen, heeft eiser recht op teruggave.
De rechtbank veroordeelt gedaagde om de hond binnen twee dagen af te geven, met een dwangsom van maximaal 30.000 gulden bij niet-naleving. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot afgifte van de hond aan eiser binnen twee dagen onder verbeurte van een dwangsom.