Verweerder heeft in de afgelopen jaren een groot aantal besluiten genomen inzake de verzekeringsplicht van onderwijsgevenden. Het ging daarbij om onderwijsactiviteiten van uiteenlopende aard, bij verschillende soorten instellingen met een variërende mate van professionaliteit. In een aantal van die zaken heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan.
In de betreffende uitspraken heeft de Centrale Raad van Beroep de grenslijnen van de verzekeringsplicht voor de desbetreffende onderwijsgevenden nader aangegeven.
Deze grenslijn blijkt in veel concrete gevallen moeilijk te trekken, omdat niet expliciet een arbeidsovereenkomst is aangegaan en partijen - althans de aanbieder van werk - niet het oogmerk hebben gehad om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Het al dan niet expliciet aangaan van een arbeidsovereenkomst vormt echter geen factor van doorslaggevende betekenis, omdat uit het feitencomplex kan blijken dat de elementen gezag, persoonlijke dienstverrichting en verplichting tot loonbetaling, die vereist zijn voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, aanwezig zijn. Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat de wijze van samenwerken kan leiden tot een indeling van typen organisaties en de daarin verrichte werkzaamheden.
Uit de inmiddels gevormde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat zich aan de ene kant van het spectrum de sociaal-culturele, non-profitinstellingen bevinden, zoals buurthuizen en clubhuizen, die op ideële basis ten behoeve van belanghebbenden cursussen organiseren, waarvoor de docenten een - veelal beperkte - uurvergoeding ontvangen. In dergelijke gevallen heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat deze instellingen niet licht geacht kunnen worden gezag uit te oefenen over de docenten, tenzij het tegendeel uit de feiten blijkt.
Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich al dan niet door de overheid erkende
professionele instellingen, die opleiden tot van overheidswege of maatschappelijk erkende diploma's, die opereren op een commerciële markt en die binnen een strakke organisatie opleidingen verzorgen. De docenten bij deze onderwijsinstellingen worden in veel gevallen door de desbetreffende instelling in de loonadministratie opgenomen, zodat in de regel geen geschil over de verzekeringsplicht ontstaat.
Tussen deze beide uitersten bevinden zich instellingen die onderwijsactiviteiten ontplooien die minder eenvoudig zijn te kwalificeren. Bij de beoordeling van de verzekeringsplicht van onderwijsgevenden die werkzaam zijn in dergelijke minder eenvoudig te kwalificeren arbeidsverhoudingen moet naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep dan ook meer de nadruk liggen op de verdeling van de bewijslast ten aanzien van het aannemen van verplichte verzekering. Daarbij is enerzijds de onderwijsinstelling gehouden om volledige informatie te verschaffen over de wijze waarop samengewerkt wordt met de betrokken docenten. Anderzijds zal het uitvoeringsorgaan op basis van die feiten voldoende aannemelijk moeten maken dat er sprake is van een gezagsverhouding.
Ten aanzien van de onderhavige zaak stelt de rechtbank in het licht van het vorenstaande vast dat door de oprichting van eiseres een organisatorisch kader is geschapen waardoor het de docenten mogelijk wordt gemaakt cursussen te geven. De bemoeienis van eiseres met de cursussen beperkt zich tot dienstverlenende activiteiten. De inhoud van de cursus en de wijze van doceren wordt volledig zelfstandig door de docenten bepaald, terwijl ook het risico van niet betaling door de cursisten voor rekening van de docenten komt. Tenslotte is de rechtbank niet gebleken dat de financiële bemoeienis van eiseres van dien aard is dat op grond daarvan geoordeeld zou moeten worden dat sprake is van het werken onder een gezagsverhouding. Alles overziende is de rechtbank dan ook van oordeel dat onder deze omstandigheden geen sprake is van een zodanige noodzaak tot het uitoefenen van gezag dat tot verzekeringsplicht moet worden geconcludeerd. De rechtbank vindt voor dit standpunt steun in een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, gepubliceerd in RSV 1999/148 en RSV 1999/209.