ECLI:NL:RBUTR:2002:1620
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arbitraal vonnis wegens schending beginsel hoor en wederhoor
In deze zaak stond een geschil centraal tussen eiser en gedaagde over de afrekening van de kantine over het seizoen 1997/1998. Gedaagde had via het College van Arbiters van de KNVB een arbitraal vonnis verkregen waarin eiser werd veroordeeld tot betaling van een bedrag en kosten, gebaseerd op een deskundigenrapport.
Eiser stelde dat het arbitraal vonnis in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor, omdat hij niet door de deskundige was gehoord, terwijl gedaagde dat wel was. De deskundige had gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van gedaagde, maar niet met eiser, ook niet na diens verzoek daartoe.
De rechtbank oordeelde dat dit een fundamentele schending van het recht op hoor en wederhoor opleverde. Dit recht is essentieel om partijen gelijke behandeling te garanderen en om de mogelijkheid te bieden eigen zienswijzen en feiten naar voren te brengen voordat een deskundige zijn oordeel vormt.
De rechtbank verwierp het verweer van gedaagde dat het ontbreken van het horen van eiser niet tot een andere uitkomst zou leiden. Gezien het belang van de administratievoering van gedaagde, die door de deskundige vooral op basis van gedaagde was onderzocht, achtte de rechtbank het mogelijk dat een ander oordeel was gegeven indien eiser was gehoord.
Daarom vernietigde de rechtbank het arbitraal vonnis en veroordeelde gedaagde in de kosten van de procedure.
Uitkomst: Het arbitraal vonnis wordt vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor.