ECLI:NL:RBUTR:2002:AE0936
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.J. van Ingen
- V.M.M. van Amstel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Eiser was in dienst bij een werkgever en werd tijdens zijn proeftijd ontslagen wegens vermeend onvoldoende inzet en privégebruik van internet en e-mail tijdens werktijd. Het UWV weigerde daarop zijn WW-uitkering met de motivering dat eiser verwijtbaar werkloos was geworden. Verweerder baseerde dit op verklaringen van de werkgever en het ontbreken van feiten die tot verminderde verwijtbaarheid leidden.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiser door de werkgever is aangesproken of gewaarschuwd over zijn internet- en e-mailgebruik of zijn motivatie. Er is geen schriftelijke vastlegging en de werkgever kon niet aangeven wanneer en hoe waarschuwingen zijn gegeven. Ook is niet gebleken dat eiser de consequenties van zijn gedrag kende.
De rechtbank benadrukt dat ook tijdens de proeftijd de werkgever de werknemer op gebruikelijke wijze moet aanspreken en waarschuwen. De algemene gedragsregels in de arbeidsovereenkomst zijn onvoldoende concreet om te stellen dat eiser wist wat wel of niet was toegestaan. Daarom is het besluit van het UWV niet voldoende feitelijk onderbouwd en wordt het vernietigd.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot blijvende en volledige weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van verwijtbaarheid.