ECLI:NL:RBUTR:2002:AE2632
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Weigering vergunning ligplaats woonboot en bedrijfsvaartuig in Merwedekanaal Utrecht
Eiser heeft eind augustus 2000 met zijn schip een ligplaats ingenomen in het Merwedekanaal te Utrecht. Na een melding van de havenmeester dat deze plaats illegaal was ingenomen, verzocht eiser om een vergunning of ontheffing om daar te mogen afmeren. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde dit verzoek op 6 november 2000 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 20 maart 2001.
De rechtbank oordeelt dat de ligplaats niet is aangewezen in de havenatlas, die door verweerder in april 2000 is vastgesteld. Hoewel de havenatlas nog niet in werking was getreden bij het verzoek, geldt het verbod op ligplaatsen zonder vergunning volgens de havenverordening onverminderd. Verweerder heeft bovendien een langdurige, bestendige uitvoeringspraktijk met betrekking tot het ligplaatsenregime, ondersteund door beleidsstukken zoals de Woonschepennota ROVU 1989.
De rechtbank stelt vast dat verweerder discretionaire bevoegdheid heeft om ontheffingen te verlenen, maar dat deze alleen worden gegeven bij bijzondere omstandigheden. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn bedrijfsvoering afhankelijk is van het schip als ligplaats. Het beleid om bedrijfsvaartuigen zoveel mogelijk te weren is consistent en redelijk. Het beginsel van gelijke behandeling is niet geschonden, aangezien eiser geen bewijs heeft geleverd dat in vergelijkbare gevallen vergunningen zijn verleend.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit van verweerder tot weigering van vergunning en ontheffing in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van vergunning en ontheffing voor ligplaats wordt ongegrond verklaard.