ECLI:NL:RBUTR:2002:AE9539
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over verdeling nalatenschap en materiële schenking tussen broers
Partijen zijn broers die na het overlijden van hun moeder in 1997 een geschil kregen over de verdeling van haar nalatenschap. De moeder liet landerijen en een boerderij na, waarbij één broer, [H.], een legaat en pachtcontracten had ontvangen. De broers stelden dat bepaalde pachtovereenkomsten en de verkoop van de boerderij aan [H.] materiële schenkingen waren die in de nalatenschap moesten worden betrokken.
De rechtbank onderzocht of de pachtovereenkomst van 1996 en de schriftelijke toestemming tot verhuur een gift vormden. Geconstateerd werd dat [H.] de landerijen al sinds 1980 gebruikte tegen vergoeding en dat de schriftelijke vastlegging slechts een formalisering was zonder bevoordelingsbedoeling. Ook de toestemming tot verhuur werd als bevestiging van de bestaande situatie gezien.
Ten aanzien van de verkoop van de boerderij oordeelde de rechtbank dat de meerwaardeclausule in de koopakte voldoende compensatie bood voor een mogelijke waardestijging door bestemmingswijziging. De afwijking van een eerder concept met een ruimere clausule leidde niet tot een gift. De rechtbank wees de reconventionele vorderingen van de broers af en verklaarde de nalatenschap verdeeld conform de afrekening van 1999.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de nalatenschap verdeeld conform de afrekening van 1999 en wijst de vorderingen tot aanmerken van pachtovereenkomst en verkoop als schenking af.