ECLI:NL:RBUTR:2003:AL1834
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J. Veldhuijzen
- P. Krepel
- P. Dondorp
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs product van beschermde diersoort bij levertraancapsules
In deze strafzaak stond centraal of de levertraancapsules van verdachte een product van een beschermde diersoort waren volgens artikel 1 lid 1 onder Pro b van de Wet BUDEP. De capsules hadden een etiket met een afbeelding van een walvis en de ingrediënten waren levertraan, stabilisatoren, vitaminen en water. Forensisch onderzoek door het Douane Laboratorium wees uit dat de capsules een mengsel van visolie en plantaardige olie bevatten, zonder aantoonbare aanwezigheid van baleinwalvisolie, hoewel de aanwezigheid ervan niet volledig kon worden uitgesloten.
De officier van justitie stelde dat vanwege de afbeelding van een walvis en de mogelijke aanwezigheid van walvisolie het product onder de beschermde diersoorten viel. De verdediging voerde aan dat het woord 'levertraan' niet synoniem is aan walvisolie en dat de ingrediënten duidelijk vermeld stonden, waardoor de afbeelding niet voldoende bewijs was.
De rechtbank overwoog dat een afbeelding op een verpakking onder omstandigheden kan leiden tot de conclusie dat het product afkomstig is van een beschermde diersoort, ook als de aanwezigheid niet kan worden aangetoond maar evenmin kan worden uitgesloten. Echter, in deze zaak was de afbeelding in samenhang met de duidelijke ingrediëntenlijst niet voldoende om te bewijzen dat de capsules vervaardigd waren uit walvisachtigen.
Daarom werd de verdachte vrijgesproken omdat niet bewezen kon worden dat het product een beschermde diersoort betrof. Dit vonnis benadrukt het belang van een restrictieve uitleg van het begrip 'blijkt' in de Wet BUDEP en de noodzaak van concreet bewijs bij het aantonen van verboden producten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet bewezen kon worden dat de levertraancapsules een product van een beschermde diersoort waren.