ECLI:NL:RBUTR:2003:AO0065
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering naastingsrecht wegens afschaffing per 1985
De zaak betreft een geschil tussen eiser en de gemeente over de uitoefenbaarheid van een naastingsrecht op een perceel grond, oorspronkelijk bedongen in 1700. Eiser stelt dit recht te hebben geërfd en vordert dat de gemeente dit erkent en naleeft. De gemeente betwist het voortbestaan van dit recht en vordert voorwaardelijk wijziging van de inhoud ervan.
De rechtbank onderzoekt de oorsprong en rechtsgeldigheid van het naastingsrecht. Hoewel het recht oorspronkelijk voortkomt uit een vrijwillig overeengekomen koopovereenkomst en niet is afgeschaft door de afschaffing van heerlijke rechten in 1798, is het naastingsrecht volgens de Wet houdende regelen omtrent de opheffing van het recht van de Dertiende Penning per 1 januari 1985 afgeschaft. Deze wet verklaart naastingsrechten, ook die zonder verband met het recht van de dertiende penning, als niet-bestaand.
Daarnaast is het tiendrecht, dat ook in de akte van 1700 is bedongen en aan eiser is toegedeeld, reeds per 1 januari 1909 afgeschaft. Hierdoor kan het naastingsrecht geen bestaansrecht ontlenen aan het tiendrecht. De rechtbank concludeert dat het naastingsrecht niet meer bestaat en wijst de vordering van eiser af. De gemeente wordt in de proceskosten van eiser veroordeeld. De voorwaardelijke reconventionele vordering van de gemeente behoeft geen beoordeling omdat het naastingsrecht niet bestaat.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat het naastingsrecht per 1 januari 1985 is afgeschaft.