ECLI:NL:RBUTR:2004:AO4489
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- G. van Zeben
- A. Wassing
- W.H.F.M. Cortenraad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens diefstal en wederrechtelijke vermogensonttrekking van dementerend slachtoffer
De rechtbank Utrecht heeft op 17 februari 2004 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte H.B. De verdachte werd ervan beschuldigd grote sommen geld, ruim €169.000, weggenomen te hebben van een dementerend slachtoffer, waarbij ook voordeel werd getrokken uit met deze gelden gekochte goederen. Het geregistreerd partnerschap tussen het slachtoffer en H.B., dat mogelijk een rechtsgeldige titel voor het wegnemen van gelden zou kunnen vormen, was door de rechtbank en het hof vernietigd vanwege de geestelijke toestand van het slachtoffer op het moment van het aangaan van het partnerschap.
De rechtbank oordeelde dat het geregistreerd partnerschap terugwerkende kracht heeft en derhalve rechtens nooit heeft bestaan. Verdachte H.B. kon daarom geen beroep doen op een rechtsgeldige titel voor het wegnemen van gelden. Bovendien was H.B. op de hoogte van de dementie van het slachtoffer en kon zij niet te goeder trouw worden geacht. De rechtbank stelde vast dat H.B. met medeplichtigen op slinkse wijze het slachtoffer heeft geïsoleerd en financieel heeft benadeeld.
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde werd bevestigd, waarbij geen strafuitsluitingsgronden werden gevonden. Gelet op de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De tijd in voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht.
Uitkomst: Verdachte H.B. is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, wegens diefstal en wederrechtelijke vermogensonttrekking van een dementerend slachtoffer.