ECLI:NL:RBUTR:2004:AO5758
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op Wajong-uitkering bij niet-terugkeer van weekendverlof tijdens detentie
Eiser was gedetineerd vanaf 2 maart 2001 en had een Wajong-uitkering die per 2 april 2001 werd beëindigd vanwege zijn vrijheidsontneming. Op 5 augustus 2001 keerde hij niet terug van weekendverlof uit angst voor een medegedetineerde, waardoor hij voortvluchtig werd. De rechtbank moest beoordelen of eiser op die datum in vrijheid was gesteld en daarmee recht had op heropening van zijn uitkering.
De rechtbank concludeerde op basis van een grammaticale uitleg van artikel 20a, eerste lid, van de Wajong dat voor in vrijheid stellen een rechtmatige handeling door een bevoegde instantie vereist is. Aangezien eiser niet rechtmatig in vrijheid was gesteld, maar zich aan zijn detentie onttrok, had hij geen recht op heropening van zijn uitkering vanaf 5 augustus 2001.
Verder oordeelde de rechtbank dat de fictieve toestand van 'rechtens zijn vrijheid ontnomen' voortduurde gedurende de periode van 5 augustus 2001 tot 22 april 2002, conform de bedoeling van de wetgever en de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en latere heropening van de Wajong-uitkering blijft in stand.