ECLI:NL:RBUTR:2004:AO9010
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- A.J. Jansen
- P.B.J.M. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag bijstandsuitkering met terugwerkende kracht
Verzoekster vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 5 juni 2003, in verband met haar echtscheidingsprocedure. Verweerder wees de aanvraag af omdat de echtgenoot onderhoudsplichtig was en ingeschreven stond op hetzelfde adres, en verzoekster daarnaast alimentatie en een Ziektewetuitkering ontving die samen boven de bijstandsnorm uitkwamen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op de aanvraag terecht de Algemene bijstandswet (Abw) werd toegepast, omdat het recht op bijstand niet eerder kon ingaan dan de datum van melding bij het CWI op 5 augustus 2003. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het besluit omdat de echtgenoot sinds 12 september 2003 de woning moest verlaten, wat niet was meegewogen.
Desondanks zag de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een voorlopige voorziening, omdat verzoekster vanaf 1 november 2003 alimentatie en een ZW-uitkering ontving die het bijstandsniveau overschreden. Tevens was het niet mogelijk om bijstand toe te kennen met terugwerkende kracht vóór de datum van melding. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht wordt afgewezen.