ECLI:NL:RBUTR:2004:AR3284
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.J. van Binsbergen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot benoeming arbitraal appelcollege wegens ontbreken hoger beroepsovereenkomst
Partijen, beiden fysiotherapeut, werkten samen op basis van een overeenkomst uit 1985. Na beëindiging van hun samenwerking ontstond een geschil dat werd voorgelegd aan een arbitraal college, dat in mei 2004 uitspraak deed. De overeenkomst bevatte een bepaling dat beroep openstond bij de burgerlijke rechter binnen één maand na de arbitrale uitspraak. Echter, sinds een wetswijziging in 1986 is hoger beroep bij de burgerlijke rechter niet meer mogelijk tenzij partijen dit uitdrukkelijk overeenkomen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het voorbehoud van hoger beroep dat partijen in 1985 maakten, na vijf jaar na de wetswijziging van 1986 is vervallen. Er was geen nieuwe afspraak over hoger beroep gemaakt. Daarom kon het verzoek tot benoeming van een arbitraal appelcollege niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter overwoog dat toetsing van de geldigheid van de arbitrageovereenkomst normaal gesproken aan de arbiters wordt overgelaten, maar dat in dit geval zonder vertraging kon worden vastgesteld dat geen hoger beroep was overeengekomen.
Het verzoek werd daarom afgewezen, en de vraag of het verzoek tijdig was ingediend bleef onbesproken. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op 29 september 2004.
Uitkomst: Verzoek tot benoeming arbitraal appelcollege afgewezen wegens ontbreken van een geldige hoger beroepsovereenkomst.