ECLI:NL:RBUTR:2004:AR5515
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering pleegouders tegen overplaatsing minderjarige naar cultuurgezin
Een Somalisch meisje, geboren in 1998, werd in het voorjaar van 2004 in een crisispleeggezin geplaatst. De voogdij-instelling hanteert het beleid om minderjarigen zo spoedig mogelijk in een cultuurgezin te plaatsen, wat als beter voor de ontwikkeling wordt beschouwd. De pleegouders, die het meisje tot oktober 2004 opvingen, stelden een vordering in kort geding om haar terug te krijgen nadat zij in een cultuurgezin was geplaatst.
De rechtbank oordeelde dat de pleegouders niet ontvankelijk zijn omdat zij geen wettelijke grondslag hebben om de beslissing omtrent de verblijfplaats van het kind aan te vechten. Het pleegzorgcontract vermeldde duidelijk dat het om een tijdelijke crisisplaatsing ging met het vooruitzicht op plaatsing in een cultuurgezin. Ook het blokkaderecht en het recht op voogdijaanvraag waren niet van toepassing vanwege de korte duur van de opvang.
De rechtbank nam mee dat het beleid van de voogdij-instelling zorgvuldig en wetenschappelijk onderbouwd is, en dat de pleegouders bij ondertekening van het contract hiermee instemden. Hoewel zij bezwaar maakten tegen de overplaatsing, was er geen uitzonderlijke situatie die ontvankelijkheid zou rechtvaardigen. De vordering werd afgewezen en de pleegouders werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de pleegouders tot terugplaatsing van het minderjarige meisje naar hun gezin is niet ontvankelijk verklaard en afgewezen.