ECLI:NL:RBUTR:2005:AT5622
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.P. Gerrits-Janssens
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over vergoeding en toerekening van tijd-voor-tijduren bij faillissement werkgever
Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin het bezwaar van eiser deels werd gehonoreerd en deels werd afgewezen met betrekking tot de vergoeding van overuren en tijd-voor-tijduren na het faillissement van zijn werkgever.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende informatie had ingewonnen over de in juli 2003 opgebouwde overuren en dat het besluit niet zorgvuldig tot stand was gekomen, in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd geoordeeld dat de door eiser opgenomen vrije uren eerst aan het tijd-voor-tijdurentegoed hadden moeten worden toegerekend en niet aan het vakantie-urentegoed.
De rechtbank stelde vast dat vergoeding van niet opgenomen tijd-voor-tijduren onder het loonbegrip van de Werkloosheidswet valt en dat het UWV de opgenomen tijd-voor-tijduren in de referentieperiode bij voorrang aan oudere aanspraken had moeten toerekenen. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheid en toepasselijke WW-bepalingen.