ECLI:NL:RBUTR:2005:AU0187

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
27 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
184177 / HA RK 04-309
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. van Binsbergen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:464 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot aanvulling instructiebrief op grond van blokkeringsrecht in verzekeringsgeschil

De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek van een verzekerde die vroeg om de instructiebrief aan de medisch deskundige aan te vullen met een beroep op het blokkeringsrecht zoals bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro. Dit blokkeringsrecht houdt in dat de verzekerde als eerste de uitslag en gevolgtrekking van de medische keuring mag vernemen, om te beslissen over mededeling aan anderen.

De verzekerde verwees naar een arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2004 en een artikel van mr. M.H. Elferink ter onderbouwing. De verzekeraar betwistte dit beroep en stelde dat het blokkeringsrecht niet van toepassing is op lopende polissen, omdat de wetgever de inwerkingtreding ervan voor die gevallen heeft uitgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het arrest van de Hoge Raad onderscheid maakt tussen situaties met en zonder bestaande contractuele relatie. In dit geval is sprake van een bestaande verzekeringsovereenkomst. De inwerkingtreding van het blokkeringsrecht is voor dergelijke situaties uitgesteld tot 1 mei 2010. Daarom komt het blokkeringsrecht aan de verzoeker niet toe en wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot aanvulling van de instructiebrief met het blokkeringsrecht wordt afgewezen omdat dit recht nog niet van toepassing is op lopende polissen.

Uitspraak

Rekestnr. 184177 / HA RK 04-309
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
BESCHIKKING
van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:
[verzoeker].
wonende te Baarn,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker],
procureur: mr. S.M. van der Sijs,
- t e g e n -
de naamloze vennootschap
VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster,
hierna te noemen: VVAA,
procureur: mr. E.J. Wervelman.
1. Verloop van de procedure
1.1
Hiervoor verwijst de rechtbank naar de eerdere beschikkingen gegeven op 5 januari 2005 en 18 mei 2005.
1.2
Nadien zijn ter griffie ontvangen:
- een brief van mr. Van der Sijs, gedateerd 26 mei 2005;
- een brief van mr. Wervelman, gedateerd 31 mei 2005.
1.3
Tenslotte is de uitspraak bepaald op heden.
2. Vaststaande feiten
Hiervoor verwijst de rechtbank naar de beslissing van 5 januari 2005.
3. Beoordeling van het verzoek
3.1
[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht de instructiebrief van de rechtbank aan de bij de beschikking van 18 mei 2005 benoemde medisch deskundige aan te vullen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hem een beroep toekomt op het zogenaamde blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro, in die zin dat hij als eerste de uitslag en de gevolgtrekking van de medische keuring mag vernemen, teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. Hij verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 2004 (V./Levob) en het artikel van mw. mr. M.H. Elferink, dat is verschenen in het Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade, nummer 2, 2004.
3.2
VVAA heeft het standpunt van [verzoeker] dat hem een beroep op het blokkeringsrecht toekomt betwist. Zij heeft aangevoerd dat [verzoeker] eraan voorbij ziet dat onderhavige procedure betrekking heeft op de aanspraak op een lopende polis. In dat geval is volgens VVAA de werking van het bepaalde in artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro nog niet van toepassing, nu de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om, ook na 1 mei 2005, het inzage- en blokkeringsrecht voor deze gevallen (nog) niet van toepassing te laten zijn.
3.3
De rechtbank komt tot het volgende oordeel. In het arrest van 26 maart 2004 heeft de Hoge Raad met betrekking tot de toepasselijkheid van het inzage- en blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro een onderscheid gemaakt tussen de situaties waarbij de medische handelingen worden verricht in verband met een bestaande burgerrechtelijke verzekering tussen partijen en de situaties waarbij dat niet het geval is. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor eerstgenoemde situaties de inwerkingtreding van dat artikel bij Besluit van 13 maart 2000 is uitgesteld tot 1 mei 2005 en dat voor laatstgenoemde situaties het artikel op 1 mei 2000 in werking is getreden. Aangezien in die zaak geen sprake was van een contractuele relatie tussen partijen (het betrof een WAM-zaak), was de Hoge Raad van oordeel dat het inzage- en blokkeringsrecht in dat geval van toepassing was.
3.4.
In dit geval is echter wel sprake van een contractuele relatie tussen partijen. [verzoeker] heeft immers in verband met zijn arbeidsongeschiktheid premievrijstelling aangevraagd van zijn bestaande ziektekostenverzekering bij VVAA. Aangezien de inwerkingtreding van artikel 7:464 lid 2 sub b BW Pro bij Besluit van 22 maart 2005 voor situaties als deze verder is uitgesteld tot 1 mei 2010, komt thans aan hem derhalve niet het inzage- en blokkeringsrecht toe. Zijn aanvullende verzoek zal derhalve worden afgewezen.
4. Beslissing
De rechtbank:
wijst het aanvullende verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken 27 juli 2005.