ECLI:NL:RBUTR:2005:AU1063
Rechtbank Utrecht
- Kort geding
- A.C. Quik-Schuijt
- Rechtspraak.nl
Bevel tot afgifte van pleegkind aan pleegouders wegens ontbreken vervangende toestemming door voogdij-instelling
De pleegouders hebben BJZ in kort geding gedagvaard omdat BJZ het pleegkind zonder hun toestemming uit huis heeft geplaatst en in een internaat heeft ondergebracht. Het kind verbleef sinds februari 2004 langer dan een jaar bij de pleegouders op basis van een pleegzorgcontract en een voogdijmaatregel.
BJZ stelde dat de pleegouders op enig moment hadden aangegeven dat het kind niet hoefde terug te keren, maar de pleegouders ontkenden dat dit een definitieve afstand van de zorg betekende. De rechtbank stelde vast dat BJZ geen toestemming had gevraagd voor de wijziging van het verblijf en ook geen vervangende toestemming aan de rechtbank had gevraagd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat BJZ in strijd met artikel 1:336a BW handelde door zonder toestemming het kind over te plaatsen. Daarom werd BJZ bevolen het kind uiterlijk op 2 juli 2005 aan de pleegouders af te geven, onder dreiging van een dwangsom. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en BJZ werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: BJZ wordt bevolen het pleegkind aan de pleegouders af te geven wegens ontbreken van toestemming voor wijziging verblijf.