2.6 Naast argumenten die zien op voormelde inhoudelijke beoordeling, zijn een aantal argumenten van formele aard naar voren gebracht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze niet tot toewijzing van het verzoek leiden. Dienaangaande merkt de voorzieningenrechter – zij het, gelet op het spoedeisende belang bij deze uitspraak, slechts zeer kort – het volgende op.
[verzoekster] is in bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op de getoonde tekeningen en foto’s is niet aannemelijk dat zij vanaf haar perceel of vanuit haar woning direct zicht heeft op het bouwperceel en zij woont op meer dan 200 meter afstand. Dat zij geregeld haar hond bij het perceel uitlaat, is onvoldoende om haar als belanghebbende aan te merken. Het feit dat verweerder bewoners van de wijk rondom het perceel allemaal, ongeacht zicht en afstand, als belanghebbende heeft aangemerkt, maakt niet dat [verzoekster] ook als belanghebbende moet worden aangemerkt.
Verweerder heeft toegelicht dat van [verzoeker] in bezwaar geen machtiging is ontvangen. Hierop is ter zitting door verzoekers niet gereageerd. Derhalve moet er van worden uitgegaan dat zij terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat in bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren van [verzoeker]. Dat hij in bezwaar is gekomen is immers vermeld in de aanhef van het besluit en in het advies van de commissie bezwaarschriften Doorn van mei 2005 is onder punt 8 ingegaan op zijn argument dat er privaatrechtelijke belemmeringen zouden zijn.
Aan de vergunning is een situatietekening gekoppeld, waarop is aangegeven welke bomen geveld mogen worden. Daarmee is, naast de door verweerder gegeven beschrijving van de betreffende bomen, voldoende bepaalbaar op welke bomen de vergunning ziet. Of er op het terrein nog meer of andere bomen zouden staan is voor onderhavige procedure niet van belang, zoals verzoekers stellen, nu deze buiten de verleende vergunning vallen.
Het argument dat privaatrechtelijke afspraken over de gebruik van het perceel zouden verhinderen dat bebouwing mag plaatsvinden, is onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd.
Voor zover geoordeeld moet worden dat belanghebbenden onvoldoende in staat zijn geweest om hun zienswijze te geven op de aanvraag, is deze omissie hersteld in bezwaar alwaar belanghebbenden in voldoende mate hun visie hebben kunnen geven.
Aan de vermelding in het besluit tot het verlenen van de kapvergunning dat aan die vergunning de voorwaarde is verbonden dat de vergunning niet mag worden gebruikt tot het moment van het definitief worden van het besluit, oftewel het moment dat de bezwaar- of beroepstermijn ongebruikt is verstreken danwel beslist is op een verzoek om een voorlopige voorziening en dat verzoek is afgewezen, komt in onderhavige procedure geen doorslaggevende betekenis toe. In de beslissing op bezwaar is in het kader van de volledige heroverweging immers (gezien de APV) terecht en tijdig aangegeven dat per abuis was opgenomen dat de beroepstermijn moest zijn verstreken. Dat dit niet in de conclusie van de beslissing is vermeld en dat aldaar is volstaan met de ongegrond verklaren van de bezwaren, is niet van doorslaggevend belang.