ECLI:NL:RBUTR:2005:AU8333
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. Sijbrandij
- P.J.G. van Osta
- A.P.A. Bisscheroux
- Rechtspraak.nl
Gerechtelijke vaststelling vaderschap op grond van DNA-onderzoek na overlijden vermeende vader
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om het vaderschap van de overleden betrokkene gerechtelijk vast te stellen. Zij stelt dat betrokkene haar biologische vader is, gebaseerd op omstandigheden rondom haar geboorte en het contact dat zij later met hem heeft gehad. Belanghebbenden voeren verweer dat het verzoek vooral is gericht op het verkrijgen van een erfdeel en dat betrokkene tijdens zijn leven niet heeft willen erkennen.
De rechtbank oordeelt dat voor de ontvankelijkheid en toewijzing van het verzoek alleen relevant is of betrokkene de verwekker is. De veronderstelde wil tot erkenning tijdens het leven van betrokkene of de motieven van verzoekster zijn niet van belang. Verzoekster wordt ontvankelijk verklaard en de rechtbank gelast een deskundigenonderzoek (DNA-onderzoek) om het vaderschap met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen.
De kosten van het DNA-onderzoek komen voor rekening van verzoekster. De zaak wordt pro forma aangehouden tot ontvangst van het deskundigenrapport, waarna verdere behandeling zal plaatsvinden. De rechtbank benoemt een deskundige van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst voor het onderzoek.
De uitspraak benadrukt dat het verzoek niet gebonden is aan een termijn en dat de wettelijke grondslag voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap verwekkerschap is, ook als de verwekker is overleden. Het verzoek wordt niet afgewezen op grond van de motieven van verzoekster of de vermeende wil van betrokkene.
Uitkomst: Verzoekster is ontvankelijk in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en er wordt een DNA-onderzoek gelast.