ECLI:NL:RBUTR:2006:AV0662
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot vertegenwoordiging bij tegenstrijdig belang in vennootschap en gevolgen geldlening en pandrechten
De curator vordert dat de rechtbank verklaart dat de vennootschap [De N] niet gebonden is aan een overeenkomst van geldlening en twee pandrechtovereenkomsten, omdat de bestuurder [B] niet bevoegd was deze overeenkomsten aan te gaan vanwege een tegenstrijdig belang. De curator stelt dat er geen expliciet aanwijzingsbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders is genomen, zoals vereist op grond van artikel 2:256 BW Pro en de statuten van [De N]. Bovast betwist dit en stelt dat [B] met medeweten en instemming van de enig aandeelhouder handelde en dat de statutenwijziging die onbeperkte bevoegdheid gaf reeds was besloten.
De rechtbank stelt vast dat er inderdaad sprake was van tegenstrijdig belang omdat [B] zowel voor Bovast als voor [De N] handelde. Volgens de statuten en artikel 2:256 BW Pro is in dat geval een aanwijzingsbesluit vereist. Hoewel een dergelijk besluit niet expliciet is genomen, is uit de feiten en omstandigheden, waaronder een managementovereenkomst en een statutenwijziging kort na het aangaan van de overeenkomsten, gebleken dat de aandeelhouder op de hoogte was en instemde met de vertegenwoordiging door [B].
De rechtbank volgt de redenering van Bovast en oordeelt dat de strekking van de wettelijke en statutaire bepalingen is nageleefd. Hierdoor is [B] geacht bevoegd te zijn geweest om de vennootschap te vertegenwoordigen bij het aangaan van de geldlening en het vestigen van de pandrechten. De vorderingen van de curator worden daarom afgewezen en de curator wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af en bevestigt dat de bestuurder bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen bij het aangaan van de geldlening en het vestigen van pandrechten.