ECLI:NL:RBUTR:2006:AV1231
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.F. Bueno
- J.D.E. Brouwer-Poederbach
- P.H. van Driel van Wageningen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs snelheidsovertreding bij dodelijk verkeersongeval
Verdachte werd primair verweten dat hij als bestuurder te snel reed en daardoor schuld had aan een botsing met een fietser die overleed. Subsidiair werd hem overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 ten laste gelegd wegens snelheidsovertreding.
Uit het onderzoek bleek dat verdachte de fietser zag aankomen, het uitzicht goed was en verdachte direct remde en stuurde om de botsing te voorkomen. De rechtbank oordeelde dat verdachte niet kon worden verweten dat hij niet tijdig tot stilstand kwam, omdat de fietser voorrang had moeten verlenen.
Hoewel verdachte de toegestane snelheid met maximaal 10 km/uur overschreed, was dit onvoldoende om hem te veroordelen voor het subsidiaire feit. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlasteleggingen wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank benadrukte dat in het verkeersrecht geen plicht bestaat om snelheid te minderen bij het zien naderen van een ander uit een conflicterende richting, tenzij een conflict duidelijk dreigt. Verdachte had volgens de rechtbank adequaat gehandeld.
De emotionele impact voor de familie werd erkend, maar kon juridisch niet leiden tot een veroordeling. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters op 8 februari 2006.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van schuld aan het ongeval.