ECLI:NL:RBUTR:2006:AV2329
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch. Van Linschoten
- J.P.H. van Driel van Wageningen
- H. Brouwer-Poederbach
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na diefstal door meerdere personen
De rechtbank Utrecht heeft op 22 februari 2006 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die samen met twee medeverdachten was veroordeeld voor meervoudige diefstal gepleegd tussen 16 juli 2001 en 20 juni 2002. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op maximaal €107.720,43, later gewijzigd naar €43.216,57.
De rechtbank baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een proces-verbaal van de politie, waarin het totaalbedrag van €220.405,75 werd verdeeld over verdachte en haar medeverdachten. Het deel van verdachte werd vastgesteld op €43.216,57. De verdediging stelde gemaakte kosten, maar kon deze niet onderbouwen, zodat deze niet in mindering werden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat ondanks dat verdachte een uitkering ontvangt en schulden aflost, er geen aannemelijk bewijs was dat haar draagkracht onvoldoende is om het bedrag te voldoen. Wel werd het bedrag met 10% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, waardoor het definitieve bedrag op €38.894,91 werd vastgesteld.
De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, waarbij ook werd overwogen dat de ontnemingsvordering te lang had stilgelegen, wat aanleiding gaf tot de matiging van het bedrag.
Uitkomst: Verdachte is verplicht €38.894,91 aan de Staat te betalen wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.