ECLI:NL:RBUTR:2006:AV2469
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch. Van Linschoten
- J.P.H. van Driel van Wageningen
- H. Brouwer-Poederbach
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel aan verdachte na oplichting
De rechtbank Utrecht behandelde op 8 februari 2006 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, die eerder door het gerechtshof Amsterdam was veroordeeld voor meerdere oplichtingsfeiten gepleegd tussen juli 2001 en juni 2002.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €43.216,57, gebaseerd op een totaal van €220.405,75 dat werd verdeeld over verdachte en twee medeverdachten. De verdediging kon geen onderbouwde kosten aantonen die in mindering konden worden gebracht, noch aannemelijk maken dat verdachte minder voordeel had genoten dan de medeverdachten.
De rechtbank oordeelde dat de draagkracht van verdachte toereikend was om het bedrag te voldoen. Wel werd het bedrag met tien procent gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, waardoor het definitieve bedrag op €38.894,91 werd vastgesteld en opgelegd als betalingsverplichting aan de Staat.
De vordering tot betaling van een hoger bedrag werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank legt aan verdachte ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €38.894,91 op met matiging wegens overschrijding redelijke termijn.