ECLI:NL:RBUTR:2006:AW2071

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
15 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199470/FA RK 05-4375
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 4 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 2 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kindArt. 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap voor verkrijging Nederlanderschap

De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige geboren in Brazilië, erkend door de vader volgens Nederlands recht. De vader en moeder hadden een affectieve relatie en het kind werd erkend op de Nederlandse ambassade in Brazilië. De minderjarige verblijft sinds 2003 bij de vader in Nederland zonder verblijfsvergunning.

De rechtbank overwoog dat de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind reeds vaststaat door erkenning, zodat vaststelling van het vaderschap volgens artikel 1:207 BW Pro niet noodzakelijk is. Het verzoek was ingegeven door het feit dat de minderjarige door een wetswijziging in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) sinds 1 april 2003 niet automatisch Nederlander wordt door erkenning na geboorte.

De rechtbank erkende het belang van de minderjarige bij verkrijging van het Nederlanderschap en de bijbehorende rechten, maar benadrukte dat artikel 1:207 BW Pro niet bedoeld is om het Nederlanderschap te verkrijgen. De vraag of de wetswijziging in strijd is met internationale discriminatieverboden dient exclusief aan de rechtbank Den Haag te worden voorgelegd.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap af. De uitspraak werd gedaan door drie rechters in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare zitting op 15 maart 2006.

Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het vaderschap reeds erkend is en de procedure niet bedoeld is voor verkrijging van het Nederlanderschap.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK UTRECHT
Sector handels- en familierecht
zaaknummer / rolnummer: 199470 / FA RK 05-4375
vaststelling vaderschap
Beschikking van 15 maart 2006 van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerrechtelijke zaken
in de zaak van
Mr. C.A.T. Philipsen,
kantoor houdende te Utrecht,
in haar hoedanigheid als bijzondere curator over de minderjarige:
[de minderjarige], geboren op 8 maart 2003,
te Salvador, Brazilië,
- e n -
[de vader],
wonende te Utrecht,
nader te noemen de vader,
procureur: mr. W.M.E. Oerlemans,
- e n -
[de moeder],
verblijvende te ’s-Gravenhage,
nader te noemen de moeder.
1. Verloop van de procedure
1.1. De procureur van de vader heeft op 9 juni 2005 ter griffie van deze rechtbank een
verzoekschrift ingediend dat strekt tot benoeming van een bijzondere curator over de
betrokken minderjarige opdat namens dit kind ingevolge artikel 1:207 BW Pro een verzoek tot
vaststelling van het vaderschap kan worden ingediend.
Bij beschikking van deze rechtbank van 3 augustus 2005 is mr. C.A.T. Philipsen, advocaat
te Utrecht, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige, hierna te noemen: [minderjarige].
1.2 De bijzondere curator heeft op 11 augustus 2005 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend dat strekt tot vaststelling van het vaderschap over [minderjarige].
1.3 De zaak met betrekking tot het laatstgenoemde verzoek is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van 7 december 2005. De zaak is bij die gelegenheid verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De rechtbank heeft kennisgenomen van de nadien ingekomen stukken.
1.5 De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van 30 januari 2006. Hierbij waren aanwezig:
- De bijzondere curator, mr. C.A.T. Philipsen,
- de vader en zijn procureur, mr. W.M.E. Oerlemans,
-de moeder, [de moeder].
Tevens was hierbij aanwezig de heer J.V. Hugo, tolk Portugees, voor de moeder.
2. Vaststaande feiten
2.1 De vader heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is geboren op 30 november 1961 te Rio de Janeiro, Brazilië. Hij woont sinds twaalf jaar in Nederland.
2.2 De moeder heeft de Braziliaanse nationaliteit. Zij is geboren op 12 december 1966 te Salvador, Brazilië. Zij verblijft thans te ’s-Gravenhage.
2.3 De vader en de moeder hebben elkaar in Nederland leren kennen. Zij hebben een affectieve relatie met elkaar gekregen. De moeder is vervolgens in verwachting geraakt. De vader en de moeder zijn daarop naar Brazilië gegaan teneinde het kind aldaar geboren te laten worden.
2.4 Uit de moeder is geboren de minderjarige:
[de minderjarige], op 8 maart 2003, te Salvador, Brazilië. Van de geboorte van [minderjarige] is op 17 maart 2003 aangifte gedaan door de vader.
2.5 [Minderjarige] heeft de Braziliaanse nationaliteit.
2.6 De moeder heeft ten kantore van het Consulaat der Nederlanden te Salvador, Brazilië, op 19 maart 2003 een verklaring afgelegd, waarin zij ermee instemt dat de vader in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving zal overgaan tot erkenning van [minderjarige].
2.7 [Minderjarige] is op 7 mei 2003 op de ambassade van Nederland te Brasilia, Brazilië, door middel van het opmaken van een erkenningsakte (akte no. 12) naar Nederlands recht door de vader erkend.
2.8 De vader is in oktober 2003 met [minderjarige] teruggekeerd naar Nederland. Sindsdien verblijft [minderjarige] bij de vader en wordt zij volledig door de vader verzorgd, dit een en ander op basis van een afspraak tussen de vader en de moeder.
2.9 [Minderjarige] heeft geen verblijfsvergunning. Zij is Nederland ingereisd zonder een (geldige) Machtiging tot Voorlopig Verblijf (MVV).
2.10 De moeder heeft op 5 januari 2004 een verklaring laten opmaken waarin zij verklaart dat zij geen bezwaar heeft tegen het verblijf van [minderjarige] bij de vader in Nederland.
2.11 De vader en de moeder zijn een omgangsregeling ten behoeve van [minderjarige] overeengekomen. De moeder heeft thans gedurende iedere maandag omgang met [minderjarige].
2.12 Op 18 november 2004 is een akte van inschrijving van buitenlandse akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage terzake van de buitenlandse geboorteakte (nummer 115590) en de akte van erkenning (nummer 12).
2.13 De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Utrecht heeft op 23 februari 2005 schriftelijk meegedeeld het voornemen te hebben geen gevolg te geven aan het verzoek tot inschrijving van [minderjarige] in de GBA van de gemeente Utrecht.
3. Beoordeling van het verzochte
3.1 De vader heeft zowel ter terechtzitting d.d. 7 december 2005 als ter terechtzitting d.d. 30 januari 2006 verklaard dat hij de biologische vader is van de betrokken minderjarige, hetgeen zowel de bijzondere curator als de moeder beide keren hebben bevestigd. De rechtbank zal in het hiernavolgende er vanuit gaan dat de vader de biologische vader van [minderjarige] is.
3.2 Alle belanghebbenden hebben ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat de rechtbank het vaderschap van de vader zal vaststellen overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:207 BW Pro, omdat zolang het vaderschap niet aldus is vastgesteld [minderjarige] niet de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen, niet kan beschikken over medische en sociale voorzieningen in Nederland, zij te zijner tijd niet op een school kan worden ingeschreven en zij niet kan worden ingeschreven in het GBA. Dat [minderjarige] niet nu reeds de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen vindt zijn oorzaak in een wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), die op 1 april 2003 in werking is getreden. Deze wetswijziging heeft onder meer als gevolg dat een na de geboorte gedane erkenning, zoals in dit geval, niet (meteen) leidt tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit zoals dat tot 1 april 2003 wel het geval was, waardoor [minderjarige] niet meer als gevolg van de erkenning direct het Nederlanderschap kan verwerven. [Minderjarige] wordt door deze wetswijziging ten opzichte van kinderen geboren uit een huwelijk of kinderen die voor hun geboorte zijn erkend ten achter gesteld. De vaststelling van het vaderschap is, aldus belanghebbenden, in het belang van [minderjarige].
3.3 De gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, zoals bedoeld in artikel 1:207 BW Pro, heeft als doel het vaststellen van de familierechtelijke betrekking tussen een kind en de biologische vader. In lid 2 onder a van genoemd artikel is bepaald dat vaststelling van het vaderschap niet kan geschieden indien het kind twee ouders heeft. In dit geval heeft [minderjarige] twee ouders, te weten de moeder, uit wie [minderjarige] is geboren, en de vader, nu hij [minderjarige] heeft erkend. De familierechtelijke verhouding tussen [minderjarige] en de vader staat hiermee vast.
3.4 Door hetgeen is overwogen in 3.3 bestaat geen noodzaak tot vaststelling van het vaderschap van de vader ten opzichte van [minderjarige] uit hoofde van artikel 1:207 BW Pro.
Aan de bijzondere curator kan worden toegegeven dat als gevolg van een vaststelling van het vaderschap in deze zaak [minderjarige] niet tot meer dan twee personen in een familierechtelijke betrekking zal komen te staan, doch dat laat het zojuist gegeven oordeel onverlet. De rechtbank overweegt voorts als volgt.
3.5 De rechtbank begrijpt de door de bijzondere curator, hierin gesteund door de vader en de moeder, gestelde belangen van [minderjarige] aldus, dat [minderjarige] door het verkrijgen van het Nederlanderschap een volwaardig lid zal worden van de Nederlandse samenleving en daarmee haar rechten op allerlei sociale en medische voorzieningen geldend kan maken, hetgeen thans, naar de bijzondere curator aanvoert, niet het geval is. De rechtbank erkent dit als een groot en rechtens relevant belang van [minderjarige]. Dit neemt echter niet weg dat artikel 1:207 BW Pro niet voor deze situatie is bedoeld. De wettekst noch de wetsgeschiedenis geven enig aanknopingspunt voor de gedachte dat deze wijze van vaststellen van het vaderschap, naast of bovenop de reeds vastgestelde familierechtelijke betrekking tussen het kind en de vader, binnen de sfeer van dit artikel is te brengen. Immers, de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is in het leven geroepen om in geval de (vermeende) biologische vader daartoe weigerachtig is deze te dwingen zijn medewerking te verlenen aan de vaststelling van diens vaderschap. Daarvan is in dit geval geen sprake.
3.6 Het voorgaande wordt niet anders nu [minderjarige] als gevolg van de hiervoor al vermelde wijziging van de RWN niet het Nederlanderschap heeft verkregen door de erkenning door de vader na haar geboorte. De RWN heeft immers geen betrekking op de familierechtelijke verhouding, maar op de nationaliteit van een persoon, die al dan niet in een familierechtelijke verhouding tot een Nederlander staat. De gestelde discriminatie van [minderjarige] als eerst na de geboorte erkend kind vloeit niet voort uit artikel 1:207 BW Pro, doch, voor zover die bestaat, uit het per 1 april 2003 gewijzigde artikel 4 RWN Pro.
3.7 Deze wetswijziging had tot doel schijnerkenningen tegen te gaan, doch lijkt haar doel voorbij te schieten als het gaat om de erkenning door de biologische vader. De vraag ligt voor of artikel 4 RWN Pro zoals het thans luidt in strijd is met het in artikel 2 van Pro Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten neergelegde discriminatieverbod. Nu geschillen over de Nederlandse nationaliteit van personen bij uitsluiting van alle andere gerechten dienen te worden voorgelegd aan de rechtbank ‘s Gravenhage, zal de rechtbank zich over deze rechtsvragen niet uitlaten.
3.8 Uit het voorgaande vloeit voort dat het verzoek moet worden afgewezen.
4. Beslissing
De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Quik-Schuijt, M.A.A.T. Engbers en A.S. Penders, in tegenwoordigheid van M.E. van den Akker, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2006.
w.g. griffier w.g. rechters