ECLI:NL:RBUTR:2006:AW2071
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.C. Quik-Schuijt
- M.A.A.T. Engbers
- A.S. Penders
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap voor verkrijging Nederlanderschap
De rechtbank Utrecht behandelde een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een minderjarige geboren in Brazilië, erkend door de vader volgens Nederlands recht. De vader en moeder hadden een affectieve relatie en het kind werd erkend op de Nederlandse ambassade in Brazilië. De minderjarige verblijft sinds 2003 bij de vader in Nederland zonder verblijfsvergunning.
De rechtbank overwoog dat de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind reeds vaststaat door erkenning, zodat vaststelling van het vaderschap volgens artikel 1:207 BW Pro niet noodzakelijk is. Het verzoek was ingegeven door het feit dat de minderjarige door een wetswijziging in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) sinds 1 april 2003 niet automatisch Nederlander wordt door erkenning na geboorte.
De rechtbank erkende het belang van de minderjarige bij verkrijging van het Nederlanderschap en de bijbehorende rechten, maar benadrukte dat artikel 1:207 BW Pro niet bedoeld is om het Nederlanderschap te verkrijgen. De vraag of de wetswijziging in strijd is met internationale discriminatieverboden dient exclusief aan de rechtbank Den Haag te worden voorgelegd.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap af. De uitspraak werd gedaan door drie rechters in aanwezigheid van de griffier tijdens een openbare zitting op 15 maart 2006.
Uitkomst: Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt afgewezen omdat het vaderschap reeds erkend is en de procedure niet bedoeld is voor verkrijging van het Nederlanderschap.