ECLI:NL:RBUTR:2006:AY5196
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.A.M.E. van der Burg-Van Geest
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van litispendentie en voortzetting van procedure bij internationaal goederenvervoer
In deze civiele zaak tussen [B] Allround Cargo B.V., Exel Nederland B.V., Trans-o-Flex Schnell-Lieferdienst GmbH en [V] Expeditie B.V. staat de vraag centraal welke procedure – de Duitse of de Nederlandse – moet worden voortgezet in het kader van een geschil over internationaal goederenvervoer onder het CMR-Verdrag.
De rechtbank bevestigt dat het CMR-Verdrag en de EEX-Verordening 44/2001 van toepassing zijn en dat de litispendentieregeling van artikel 31 lid 2 CMR Pro-Verdrag en artikel 27 EEX Pro-Vo prevaleren. Uit het onderzoek blijkt dat de Duitse procedure op 15 april 2005 is aangebracht door het indienen van een Mahnbescheid, waarmee de Duitse procedure eerder aanhangig is dan de Nederlandse procedure.
De rechtbank gaat in op de vraag of Trans-o-Flex aan haar verplichtingen heeft voldaan om het Mahnverfahren voort te zetten, waarbij wordt vastgesteld dat de Duitse procedure nog steeds aanhangig is. De stelling van [B] dat de Duitse procedure is geëindigd wordt verworpen. De rechtbank besluit daarom de Nederlandse procedure aan te houden en verwijst de zaak naar de parkeerrol, totdat de Duitse rechter een beslissing over de bevoegdheid heeft genomen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de Nederlandse procedure aan en verwijst de zaak naar de parkeerrol totdat de Duitse rechter over de bevoegdheid heeft beslist.