ECLI:NL:RBUTR:2006:AY6188
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- S. Meurs
- H.J.H. van Meegen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen kapvergunning voor vellen van knotwilgen in Utrecht
De Bomenstichting heeft beroep ingesteld tegen een kapvergunning verleend door burgemeester en wethouders van Utrecht voor het vellen van 50 knotwilgen in verband met de aanleg van een ontsluitingsweg. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vergunning terecht is verleend omdat de bomen geen bijzondere natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische of beeldbepalende waarden vertegenwoordigen zoals genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
De kapvergunning was gebaseerd op een duidelijke situatietekening en een kaplijst, waardoor vaststond om welke bomen het ging. De rechtbank stelde vast dat burgemeester en wethouders verplicht waren de vergunning te verlenen indien geen weigeringsgronden uit artikel 88 van Pro de APV aanwezig waren. De Bomenstichting kon geen bewijs leveren dat de knotwilgen monumentaal of beeldbepalend waren.
Ook het argument dat de bomen zich in een ecologische verbindingszone bevinden, leidde niet tot een andere beoordeling omdat de groenstrook als geheel wel een functie heeft, maar de individuele bomen geen beschermde waarde. De rechtbank concludeerde dat geen belangenafweging aan de vergunningverlening ten grondslag lag en dat geen nadere voorwaarden aan de vergunning konden worden verbonden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.