ECLI:NL:RBUTR:2006:AY7100
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- S. Meurs
- H.J.H. van Meegen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen tijdelijke vrijstelling bestemmingsplan voor baggerdepot in gemeente Houten
De voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht behandelde het beroep tegen een besluit van 28 november 2005 waarbij het college van burgemeester en wethouders van Houten een vrijstelling verleende voor de aanleg van een baggerdepot op een perceel nabij een adres te Houten. De vrijstelling was verleend voor een periode van vijf jaar op grond van artikel 17 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
Eiser had bezwaar gemaakt tegen deze vrijstelling, onder meer vanwege de locatiekeuze en de mogelijke nadelige gevolgen zoals uitzichtverlies, geurhinder en verstoring van de omgeving. De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser onvoldoende belanghebbende was voor een van de bezwaren en dat de vrijstelling terecht was verleend als tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan, waarbij de termijn van vijf jaar niet onredelijk was.
De voorzieningenrechter nam mee dat het baggerdepot binnen het gebied van herkomst van de bagger ligt, dat alternatieve locaties minder geschikt zijn, en dat de nadelige gevolgen zoals uitzichtverandering en mogelijke overlast niet onaanvaardbaar zijn gezien het tijdelijke karakter en de voorwaarden voor herstel van het perceel. Ook milieubezwaren konden in deze procedure niet worden meegewogen.
Gelet op deze overwegingen werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De rechter vond dat het algemeen belang van de aanleg van het baggerdepot zwaarder woog dan de individuele nadelen voor eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de tijdelijke vrijstelling voor het baggerdepot wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.