2.12 Ter onderbouwing van de afwijzing van het verzoek van eiser heeft verweerder ten slotte aansluiting gezocht bij artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 op grond waarvan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning kan worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien - voor zover hier van belang - de vreemdeling het meerderjarige kind is van een in Nederland verblijvende vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000. In de eerste plaats is in casu geen sprake van een geval als bedoeld in 1F van het Vluchtelingenverdrag. Voorts overweegt de rechtbank dat de vergelijking van verweerder hooguit tot de a contrario conclusie kan leiden dat, nu bij of krachtens de RWN, niet voorzien is in een gelijksoortig wettelijk voorschrift als artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, naturalisatie niet op die grond geweigerd kan worden.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat ook de motieven die tot opname van artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, in het Vreemdelingenbesluit 2000 hebben geleid, zich in het onderhavige geval niet voordoen. De rechtbank wijst er op dat de ratio van deze bepaling gelegen is in het voorkomen dat aan de vreemdeling van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, feitelijk opvang wordt verleend in Nederland mede dankzij de rechten en voorzieningen die voor de gezinsleden voortvloeien uit hun toelating (zie nota van toelichting op het Vreemdelingenbesluit 2000, Stb. 2000, 497, p.154 en Kamerstukken II, 1997-1998, 19637, nr.295, p.8). Artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, voorziet dus in bovenomschreven gevallen in de wettelijke grondslag om aan de gezinsleden die gelijktijdig met de "1F vreemdeling" Nederland in zijn gereisd, toelating te weigeren en in het verlengde daarvan feitelijk verblijf van die vreemdeling te voorkomen. In de onderhavige zaak beschikt eiser reeds over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zodat het risico voor feitelijke opvang in Nederland van de ongewenst verklaarde vader niet groter wordt door de naturalisatie van eiser.
Verweerder heeft ter zitting in dit verband nog opgevoerd dat de juridische positie van [X] om zijn terugkeer naar Nederland te bewerkstelligen sterker zou worden indien eiser de Nederlandse nationaliteit verkrijgt. Daarbij heeft verweerder in algemene zin gewezen op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens die een groot belang zou toekennen aan de nationaliteit van betrokkenen bij gezinshereniging. De rechtbank overweegt allereerst dat deze argumentatie, nu deze eerst ter zitting is aangevoerd, zonder meer tardief is en uit een oogpunt van een goede procesorde niet bij de beoordeling van dit geschil dient te worden betrokken. Ten overvloede voegt de rechtbank daar aan toe dat enkel een beroep op gezinshereniging, ongeacht de nationaliteit van betrokkenen, er niet toe kan leiden dat een ongewenstverklaring wordt opgeheven.