ECLI:NL:RBUTR:2006:BA1109
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplichtigheid aan opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar
De rechtbank Utrecht heeft op 15 augustus 2006 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van opzettelijke brandstichting. Het primair ten laste gelegde feit werd niet bewezen verklaard, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken. Wel werd subsidiair bewezen verklaard dat verdachte medeplichtig was aan opzettelijke brandstichting waarbij gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was.
De rechtbank baseerde haar oordeel op bewijsmiddelen waaruit bleek dat verdachte met een mededader had besproken dat een woning in brand moest worden gestoken. Verdachte en een mededader wisten een derde mededader te overhalen om mee te gaan naar de woning, waar brand werd gesticht. Verdachte bleef in de buurt wachten om de eerste mededader na de brandstichting te vervoeren. De rechtbank rekende het verdachte zwaar aan dat hij niets deed om de minderjarige mededaders tegen te houden en dat hij zich niet bekommerde om het gevaar voor bewoners en goederen.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan en de persoon van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen. De opgelegde straf bedroeg negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank achtte deze straf passend en voldoende, lager dan de eis van de officier van justitie.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, wegens medeplichtigheid aan opzettelijke brandstichting.