ECLI:NL:RBUTR:2007:BA0705

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
14 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/604503-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 SrArt. 246 SrArt. 51b SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs verkrachting en aanranding

De rechtbank Utrecht heeft op 14 maart 2007 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, geboren in 1959, zonder vaste woon- of verblijfplaats. Verdachte werd primair en subsidiair beschuldigd van verkrachting en aanranding. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten had begaan.

De kern van het bewijs betrof de vraag of verdachte opzettelijk dwang had uitgeoefend waardoor het slachtoffer handelingen tegen haar wil onderging. De rechtbank stelde dat hiervoor een dubbele eis geldt: opzet op dwang door verdachte en dat het slachtoffer dit als dwang heeft ervaren. Dit bleek onvoldoende uit de bewijsmiddelen.

Hoewel de rechtbank aannemelijk achtte dat verdachte seksuele bedoelingen had en had getest hoe ver hij kon gaan, waren de signalen van het slachtoffer onvoldoende kenbaar voor verdachte. Het gedrag van verdachte werd weliswaar als volstrekt misplaatst beoordeeld, maar niet als verkrachting of aanranding.

De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van verkrachting en aanranding.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/604503-05
Datum uitspraak: 14 maart 2007
Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak
gewezen in de zaak tegen:
[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
verblijvende te [verblijfplaats].
Raadsman: mr. A.R. van Roo.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2007.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
Vrijspraak
Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Van dwang in de zin van de artikelen 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht is slechts sprake indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in die bepaling bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Deze formulering houdt een dubbele eis in: de verdachte moet opzet hebben op dwang en het slachtoffer moet de ‘andere feitelijkheid’ hebben bemerkt en als dwang hebben ervaren. Dit komt volgens de rechtbank onvoldoende uit de bewijsmiddelen naar voren.
Dat de bedoelingen van verdachte sexueel gericht waren en hij heeft gekeken hoe ver hij kon gaan, acht de rechtbank zeer waarschijnlijk. De door aangeefster in haar beleving wel gegeven signalen, dat zij van de vergaande massage van verdachte niet gediend was, waren voor verdachte echter onvoldoende kenbaar.
De rechtbank merkt tenslotte nog op dat zij het gedrag van verdachte, hoewel niet aan te merken als verkrachting dan wel aanranding, volstrekt misplaatst acht.
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [X] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden materiële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.
Nu aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden, dient de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [X] niet ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mrs E.F. Bueno, J.F. Dekking en M.P. van Glerum, bijgestaan door mr. F. Rethmeier als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 maart 2007.