ECLI:NL:RBUTR:2007:BA2326

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
3 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 06/1647
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.M. Crowe
  • P.M.J.H. Muijlaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn WOZ-beschikking

Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking van 7 maart 2005 waarin de waarde van haar onroerende zaak was vastgesteld. Het bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Eiseres voerde aan dat de termijn pas begon te lopen bij ontvangst van het taxatieverslag, dat later werd toegezonden, en dat haar medewerkers van de gemeente uitstel hadden toegezegd. De rechtbank oordeelde dat het taxatieverslag geen onderdeel is van de beschikking en dat de bezwaartermijn begint te lopen de dag na dagtekening van de beschikking. Bovendien was het bezwaarschrift niet per post verzonden maar na afloop van de termijn afgegeven bij het gemeentehuis.

De rechtbank verwierp het beroep op verschoonbaarheid omdat de vermeende toezegging van uitstel niet kon worden bevestigd en de gemeente hiertoe niet bevoegd was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 06/1647
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2007
inzake
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
tegen
het Sectorhoofd Middelen en Maatschappelijke Zorg van de gemeente [woonplaats],
verweerder.
Inleiding
1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van verweerder van 28 februari 2006 waarbij het bezwaarschrift van eiseres tegen de beschikking van 7 maart 2005 niet- ontvankelijk is verklaard. Bij laatstgenoemde beschikking is op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] (hierna: het object) voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 411.436,- naar de waardepeildatum 1 januari 2003. Bij de uitspraak op bezwaar is deze waarde ambtshalve verlaagd tot € 383.203,-
1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 26 maart 2007, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde J.G. Janssen. Namens verweerder zijn verschenen B. Stolp-van Rooij, werkzaam bij de gemeente Abcoude, en A.J. Otten, gediplomeerd WOZ-taxateur, werkzaam bij Kondar WOZ-diensten te Soest.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.
In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In afwijking van artikel 6:8 van Pro de Awb bepaalt artikel 22j, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2 De rechtbank stelt vast dat, nu het bezwaar van eiseres is gericht tegen een besluit van verweerder van 7 maart 2005 en niet is gesteld of gebleken dat deze dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, de bezwaartermijn is gaan lopen op 8 maart 2005 en is geëindigd op 18 april 2005.
2.3 De rechtbank overweegt dat voor de toepassing van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is vereist dat het bezwaarschrift per post wordt verzonden. Gebleken is dat het bezwaarschrift van eiseres, dat is gedateerd op 17 april 2005, niet via de post is bezorgd maar op het gemeentehuis is afgegeven. Het bezwaarschrift is op 22 april 2005 bij verweerder ingekomen. Dat de datum van afgifte in ieder geval is gelegen na 18 april 2005 leidt de rechtbank ook af uit de door eiseres overgelegde correspondentie met haar gemachtigde.
2.4 Eiseres voert allereerst aan dat het bezwaar wel tijdig is ingediend. De WOZ beschikking met dagtekening 7 maart 2005 bevatte geen taxatieverslag. Het taxatieverslag is op 24 maart 2005 verzonden. Volgens eiseres begint de bezwaartermijn pas te lopen op het moment dat het taxatieverslag is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze opvatting geen steun in het recht. Artikel 23 Wet Pro WOZ vermeldt de eisen waaraan de beschikking moet voldoen. In dit artikel wordt het taxatieverslag niet genoemd. Het taxatieverslag maakt geen onderdeel uit van de beschikking. De bezwaartermijn begon derhalve te lopen op de dag na de dagtekening van de beschikking.
Eiseres heeft de voor het instellen van het bezwaar gestelde termijn dan ook niet in acht genomen.
2.5 Voor zover eiseres met haar betoog een beroep doet op artikel 6:11 Awb Pro, overweegt de rechtbank dat het ontbreken van het taxatieverslag eiseres niet hoefde te weerhouden van het indienen van een pro forma bezwaarschrift. Bovendien restte eiseres na ontvangst van het taxatieverslag nog voldoende tijd voor het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn.
2.6 Eiseres voert vervolgens aan dat medewerkers van de gemeente Abcoude haar hebben meegedeeld dat er 14 dagen extra uitstel was verleend. Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres meegedeeld dat hij niet wist wanneer en door wie deze toezeggingen waren gedaan. Wel heeft gemachtigde meegedeeld dat hij destijds verweerder persoonlijk gevraagd heeft het verlengen van de termijn op schrift te stellen. Dit heeft verweerder volgens gemachtigde geweigerd. Voor zover dit optreden door gemachtigde, die pas in de beroepsfase in die hoedanigheid is gaan optreden, al aan eiseres kan worden toegerekend, ziet de rechtbank in deze gang van zaken eerder een ontkenning dan een bevestiging van het toegezegde uitstel. Door verweerder kon de beweerde toezegging ter zitting niet worden bevestigd. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de gemeente tot een dergelijke toezegging ook niet gerechtigd was. Naar het oordeel van de rechtbank vormt hetgeen door eiseres is aangevoerd dan ook onvoldoende reden om het niet tijdig instellen van het bezwaar verschoonbaar te achten.
2.7 Op grond van het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2007.
De griffier: De rechter:
mr. R.M. Crowe mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.