ECLI:NL:RBUTR:2007:BA5342

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
8 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 06-2587
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.M.J.H. Muijlaert
  • M.S.D. de Weerd
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelastingen en de onderzoeksplicht van parkeerders op koopzondagen

In deze zaak heeft de Rechtbank Utrecht op 8 mei 2007 uitspraak gedaan in een beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelastingen. De eiser, wonende te Haarlem, had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag die hem was opgelegd door de Directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht. De naheffingsaanslag, die een bedrag van € 49,67 omvatte, was opgelegd omdat eiser op zondag 2 april 2006 om 16.56 uur zijn auto had geparkeerd zonder geldig parkeerbewijs. De rechtbank diende te beoordelen of de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, waarbij de vraag centraal stond of eiser voldoende op de hoogte was van de koopzondag en de bijbehorende parkeerbelasting.

De rechtbank overwoog dat de vermelding op de parkeerautomaat dat parkeerbelasting verschuldigd is op koopzondagen een minimale onderzoeksplicht met zich meebrengt voor parkeerders. Eiser stelde dat hij, als niet-inwoner van Utrecht, niet voldoende geïnformeerd was over de koopzondagen. De verweerder, de gemeente Utrecht, betoogde echter dat de informatie op de bebording en de parkeerapparatuur voldoende duidelijk was en dat het algemeen bekend is dat koopzondagen in Nederland vaak op de eerste zondag van de maand plaatsvinden.

De rechtbank concludeerde dat de gemeente als heffende instantie verantwoordelijk is voor het eenduidig communiceren van de belastingverplichtingen, maar dat dit niet ontslaat van de onderzoeksplicht voor parkeerders. Eiser had niet aangetoond dat hij aan deze onderzoeksplicht had voldaan, waardoor de rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard, en de rechtbank wees de proceskostenveroordeling af.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 06/2587
1a
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2007
inzake
[eiser]
wonende te Haarlem,
eiser,
tegen
de Directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van verweerder van 26 juni 2006, waarbij het
bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelastingen met aanslagnummer 60025784 ongegrond is verklaard en deze naheffingsaanslag is gehandhaafd. Laatstgenoemde naheffingsaanslag is eiser opgelegd ten bedrage van € 49,67 waaronder
€ 47,- aan naheffingskosten, wegens het parkeren van de auto (merk Chrysler met kenteken [kenteken] aan het Janskerkhof te Utrecht op zondag 2 april 2006 om 16.56 uur zonder geldig parkeerbewijs.
1.2 Het beroep is op 2 april 2007 ter zitting behandeld, waar eiser zonder voorafgaand bericht van verhindering niet is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. Y.M.S.M. Oevering-Raemakers, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening Parkeerbelastingen 2006 (Verordening) wordt onder de naam parkeerbelastingen een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.
Op grond van artikel 6 van de Verordening zijn de maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat de kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de verordening € 47,- bedragen.
Op grond van de Tarieventabel behorende bij de Verordening is het Janskerkhof gelegen in gebied 1 waar een tarief geldt van € 2,67 per uur.
2.2 Het geschil betreft de vraag of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.
Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daarbij aan dat het hem - niet in Utrecht woonachtig - niet voldoende kenbaar was dat er sprake was van een koopzondag. Onder verwijzing naar een aantal uitspraken stelt eiser dat het de verantwoordelijkheid van het parkeerbedrijf is eenduidig aan te geven waar en wanneer er betaald dient te worden voor het parkeren. Eiser stelt dat noch de parkeerautomaat noch enig ander bord daar in de buurt vermeldt op welke zondagen er koopzondag is.
Verweerder stelt dat eiser bekend is dat op koopzondagen parkeerbelasting verschuldigd is.
Door middel van informatie op de bebording en de parkeerapparatuur is voldoende kenbaar gemaakt dat op koopzondagen tussen 12.00 en 18.00 uur parkeerbelasting verschuldigd is.
Dat niet expliciet is vermeld welke zondagen dat betreft, doet daar niet aan af. De attentiewaarde die van de informatie uitgaat, maakt volgens verweerder dat een parkeerder zich ervan dient te vergewissen of op het tijdstip van parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Dit temeer nu volgens verweerder het als algemeen bekend mag worden verondersteld dat koopzondagen in Nederland in ieder geval op de eerste zondag van de maand plaatsvinden. Verweerder stelt dat eiser na het parkeren van zijn auto geen enkel onderzoek heeft verricht om zich ervan te vergewissen of de betreffende zondag een koopzondag is.
2.3 De rechtbank stelt voorop dat verweerder ten onrechte als uitgangspunt hanteert dat het als algemeen bekend mag worden verondersteld dat koopzondagen in Nederland in ieder geval op de eerste zondag van de maand plaatsvinden. De rechtbank acht aannemelijk dat de inwoners van de gemeente Utrecht voldoende bekend is dat de koopzondagen in Utrecht op de eerste zondag van de maand plaatsvinden. Voor niet-inwoners van de gemeente Utrecht is dit echter niet zonder meer kenbaar.
2.4 Naar het oordeel van de rechtbank is het de taak van de gemeente als heffende instantie om eenduidig kenbaar te maken waar, wanneer en op welke wijze de belasting moet worden
voldaan. De vermelding op de parkeerautomaat dat parkeerbelasting verschuldigd is op koopzondagen brengt echter wel met zich mee dat een parkerende niet-inwoner een minimale onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich oriënteert of de betreffende zondag een koopzondag is. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan het kijken bij andere geparkeerde auto's of er is betaald, het constateren of er winkels zijn geopend of het aanspreken van een voorbijganger. De daadwerkelijke invulling is onder andere mede afhankelijk van het tijdstip van aankomst. De rechtbank tekent hierbij aan dat deze onderzoeksplicht naar haar oordeel minder ver gaat dan het Gerechtshof 's-Gravenhage in zijn door verweerder aangehaalde uitspraak van 5 maart 1998 eist.
De enkele omstandigheid dat op de parkeerautomaat niet stond vermeld welke zondagen zijn aangewezen als koopzondag, ontsloeg eiser niet van die verplichting. Eiser volstaat op dit punt met de mededeling dat er rond het parkeerterrein geen winkels zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee niet aannemelijk gemaakt dat hij aan zijn minimale onderzoeksplicht heeft voldaan.
2.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op juiste gronden een naheffingsaanslag heeft opgelegd. De aangevoerde gronden kunnen niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
recht doende,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr.drs. P.M.J.H. Muijlaert en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2007.
De griffier: De rechter:
mr. M.S.D. de Weerd mr.drs. P.M.J.H. Muijlaert
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Zaaknummer: SBR 06/2587 blad 3
uitspraak