ECLI:NL:RBUTR:2007:BA7987

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
12 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 07-985
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:5 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen opschorting bijstandsuitkering

De zaak betreft een verzoek tot schorsing van het besluit van 8 maart 2007 waarbij de opschorting van de bijstandsuitkering van verzoeker is gehandhaafd. Verzoeker wilde het verzoek wijzigen naar schorsing van een later besluit van 13 maart 2007 waarin de bijstandsuitkering is ingetrokken, maar de voorzieningenrechter stond deze wijziging niet toe vanwege wettelijke bepalingen en de goede procesorde.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek alleen betrekking kan hebben op het oorspronkelijke opschortingsbesluit en dat schorsing van dit besluit geen uitbetaling van de bijstandsuitkering kan bewerkstelligen nu de uitkering inmiddels is ingetrokken. Daarom zag de rechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is afgewezen zonder veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. R.P. den Otter op 12 juni 2007.

De procedure vond plaats bij de rechtbank Utrecht, sector bestuursrecht, waarbij verzoeker werd vertegenwoordigd door mr. M.C. Lugard-van Beijma en verweerder door mr. M.J.L. van Wees namens de gemeente Utrecht.

De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van artikel 8:81 vierde Pro lid en artikel 6:5 tweede Pro lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot het wijzigen van verzoeken in voorlopige voorzieningsprocedures.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het opschortingsbesluit is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 07/985
1a
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2007
inzake
[verzoeker]
wonende te Utrecht,
verzoeker,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 8 maart 2007, waarbij verweerder zijn besluit van 3 november 2006 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) opgeschort per 17 april 2006.
1.2 Het verzoek is op 29 mei 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoeker mr. M.C. Lugard-van Beijma is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.L. van Wees, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2 De voorzieningenrechter leidt uit de door verweerder toegezonden stukken af dat verweerder inmiddels bij besluit van 13 maart 2007 verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 17 april 2006 heeft ingetrokken. Verzoeker heeft daartegen op 3 april 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.
2.3 Verzoeker heeft ter zitting verzocht het verzoek te mogen wijzigen in die zin dat het besluit van 13 maart 2007 wordt geschorst. De voorzieningenrechter staat die wijziging van het verzoek niet toe. Het verzoek om een voorlopige voorziening van 17 april 2007 heeft immers betrekking op het besluit van 8 maart 2007 waarbij de opschorting van de bijstandsuitkering is gehandhaafd. Bij het verzoek heeft verzoeker - zoals ook is vereist op grond van artikel 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:5, tweede lid, van de Awb - het besluit overgelegd waarop het verzoek betrekking heeft. Dit betreft het besluit van 8 maart 2007. De voorzieningenrechter acht het, gelet op het karakter van een voorzieningenprocedure, in beginsel niet ontoelaatbaar dat ter zitting een andere voorziening wordt gevraagd, zolang de voorziening die wordt verzocht nog betrekking heeft op hetzelfde besluit. De voorzieningenrechter acht echter niet verenigbaar met het bepaalde in 8:81, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:5, tweede lid, van de Awb dat eerst ter zitting het verzoek wordt gewijzigd in die zin dat het verzoek betrekking heeft op een ander besluit. De voorzieningenrechter acht een zodanige wijziging ook in strijd met de goede procesorde.
2.4 Het verzoek heeft, mede gelet op het voorgaande, alleen betrekking op het besluit van 8 maart 2007 waarbij de opschorting van de bijstandsuitkering is gehandhaafd. Verzoeker wil daarmee bereiken dat verweerder alsnog de bijstandsuitkering uitbetaalt. Aangezien de bijstandsuitkering bij besluit van 13 maart 2007 reeds is ingetrokken met ingang van 17 april 2006 kan de uitbetaling van de bijstandsuitkering niet worden bewerkstelligd door schorsing van het besluit tot opschorting. De voorzieningenrechter ziet om die reden geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook afwijzen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2007.
De griffier mr. M.S.D. de Weerd De voorzieningenrechter:
is verhinderd deze uitspraak mede
te ondertekenen.
mr. R.P. den Otter
Afschrift verzonden op:
Zaaknummer: SBR 07/985 blad 2
uitspraak