ECLI:NL:RBUTR:2007:BA9859

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
18 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
SBR 06-4164
Instantie
Rechtbank Utrecht
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid tot opleggen naheffingsaanslag parkeerbelasting door gemeente Utrecht

In deze zaak gaat het om een beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting die is opgelegd aan eiser door de gemeente Utrecht. De rechtbank Utrecht heeft op 18 juli 2007 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij het beroep van eiser ongegrond werd verklaard. Eiser had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag van € 49,67, die was opgelegd op 9 oktober 2006, omdat hij zijn auto had geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen. Eiser stelde dat hij door een defect aan de automatische deuren van de parkeergarage niet in staat was om zijn auto op de juiste plek te parkeren en dat hij door de gemeente onterecht was beboet.

De rechtbank overwoog dat de naheffingsaanslag was opgelegd door een daartoe bevoegde persoon, in tegenstelling tot een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag correct was opgelegd, ondanks dat het Parkeerbedrijf Utrecht op de aanslag stond vermeld. Dit vormverzuim werd gepasseerd op basis van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat eiser niet benadeeld was door deze vermelding.

De rechtbank oordeelde verder dat de stelling van eiser dat hij door de gemeente was geadviseerd om buiten te parkeren niet kon worden aangemerkt als een onvoorwaardelijke toezegging dat hij geen parkeerbelasting verschuldigd zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de naheffingsaanslag in stand bleef. Eiser had geen recht op terugbetaling van de opgelegde naheffingsaanslag, en de rechtbank wees erop dat de verplichting om parkeerbelasting te betalen niet vervalt door omstandigheden zoals een defect aan de parkeergarage.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 06/4164
uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 18 juli 2007
inzake
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
tegen
de Directeur Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen van de gemeente Utrecht,
verweerder.
Inleiding
1.1 Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder van 7 november 2006, waarbij het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 60068908 ongegrond is verklaard en deze naheffingsaanslag is gehandhaafd.
1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 27 juni 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen drs. J.J.M. Woeltjes en W. Vos, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht.
Overwegingen
2.1 Bij besluit van 9 oktober 2006 is eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 49,67, berekend over de parkeerduur van één uur (€ 2,67) en vermeerderd met € 47,- aan naheffingskosten. De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het parkeren van eisers auto ([auto]) aan de Van Asch van Wijckskade in Utrecht op 9 oktober 2006 om 19.35 uur, zonder dat de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.
2.2 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen 2006 van de gemeente Utrecht (verder: de Verordening) wordt onder de naam parkeerbelastingen een belasting geheven ter zake van:
a. het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
b. een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
Op grond van artikel 6 van de Verordening zijn het belastingtarief, belastingtijdvak en de maatstaf van heffing vermeld in de bij deze verordening behorende en de daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 10 van de Verordening bepaalt dat de kosten van de naheffingsaanslag, ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, € 47,- bedragen.
Op grond van de Tarieventabel parkeerbelastingen en precariobelasting 2006 (verder: de Tarieventabel) is de Van Asch van Wijckskade gelegen in gebied 1. Ingevolge artikel II, onderdeel A, van de Tarieventabel geldt voor dit gebied een tarief van € 2,67 per uur.
2.3 De rechtbank overweegt, mede ter toelichting aan partijen, ambtshalve als volgt.
Bij uitspraak van 4 juni 2006 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl met LJN-nummer BA7531) heeft het Gerechtshof Amsterdam overwogen dat de desbetreffende naheffingsaanslag blijkens het opschrift ervan is vastgesteld en uitgereikt door een persoon namens het Parkeerbedrijf gemeente Utrecht. Naar het oordeel van het Gerechtshof is de naheffingsaanslag daarmee niet door een daartoe bevoegd persoon opgelegd, aangezien de bevoegdheid tot het vaststellen, uitreiken en verzenden van naheffingsaanslagen parkeerbelastingen niet is gemandateerd aan het hoofd van de afdeling Parkeerbedrijf gemeente Utrecht van de Dienst Stadsontwikkeling.
2.4 Ingevolge artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermeldt een krachtens mandaat genomen besluit namens welk bestuursorgaan het besluit is genomen.
Bij het Aanwijzingsbesluit heffings- en invorderingsambtenaar van 14 december 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen met ingang van 1 januari 2005 aangewezen als de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en c, van de Gemeentewet.
Bij het Mandaatbesluit heffing en invordering van 1 december 2005 heeft de directeur van de Dienst Burgerzaken en Gemeentebelastingen besloten de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling met ingang van 1 januari 2006 te mandateren om namens hem op te treden met betrekking tot, onder meer, de uitvoering van de heffing en invordering van parkeerbelastingen met uitzondering van de bevoegdheid tot het voeren van belastingprocedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof.
Bij het Mandaatbesluit heffing en invordering van 19 december 2005 heeft de directeur van de Dienst Stadsontwikkeling besloten met ingang van 1 januari 2006,
I. a. het hoofd van de afdeling Parkeerbedrijf gemeente Utrecht van de Dienst Stadsontwikkeling en diens plaatsvervanger te mandateren om namens haar op te treden met betrekking tot de uitvoering van de heffing en invordering van parkeerbelastingen met uitzondering van de bevoegdheid tot het heffen van parkeerbelastingen bij wege van voldoening op aangifte dan wel het opleggen van een naheffingsaanslag en het voeren van belastingprocedures bij de Rechtbank en het Gerechtshof,
en
IV. a. de chef van de afdeling Parkeren van de Politie Utrecht,
b. de parkeercontroleurs van de afdeling Parkeren van de Politie Utrecht,
c. de parkeercontroleurs van Parkeer Groep Nederland;
te mandateren om namens haar op te treden met betrekking tot het vaststellen, uitreiken en verzenden van naheffingsaanslagen parkeerbelastingen.
2.6 De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de onderhavige naheffingsaanslag (en ook andere in Utrecht uitgeschreven naheffingsaanslagen parkeerbelasting) qua opschrift gelijk is aan de aanslag die door het Gerechtshof in bovenstaande zaak is beoordeeld. Het aanslagbiljet kent als opschrift de tekst "Parkeerbedrijf Gemeente Utrecht, naheffingsaanslag parkeerbelastingen". Op de voorzijde van het aanslagbiljet staat verder, onder meer, als tekst vermeld "de parkeercontroleur heeft geconstateerd dat, op bovenstaande datum, tijdstip en plaats met bovengenoemd voertuig is geparkeerd zonder een duidelijk zichtbaar geplaatste geldige parkeervergunning of betaalbewijs parkeerbelasting of zonder / onvoldoende de parkeerapparatuur in werking te hebben gesteld". Aan de onderzijde van het biljet wordt voor informatie omtrent betaling en bezwaar van de naheffingsaanslag verwezen naar de achterzijde, onderdeel A. Onderdeel A vermeldt dat, indien een betrokkene het niet eens is met de naheffingsaanslag, hij binnen zes weken na dagtekening een schriftelijk bezwaar kan indienen bij Parkeerbedrijf Gemeente Utrecht, t.a.v. Juridische Zaken.
2.7 Anders dan het Gerechtshof is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een daartoe bevoegd persoon en zij overweegt daartoe het volgende. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in Utrecht slechts parkeercontroleurs van de afdeling Parkeren van de Politie Utrecht en de Parkeer Groep Nederland voertuigen controleren en naheffingsaanslagen vaststellen en uitreiken. Daarbij heeft verweerder toegelicht dat een naheffingsaanslag door middel van de invoering van een persoonlijk dienstnummer in een handterminal (en uitlezing daarvan in een dockingstation) wordt opgelegd. Slechts voornoemde parkeercontroleurs beschikken over een dergelijk persoonlijk dienstnummer.
Tevens heeft verweerder toegelicht dat zich geen medewerkers van het Parkeerbedrijf op straat bevinden om controlewerkzaamheden te verrichten.
Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat de naheffingsaanslag is opgelegd door een parkeercontroleur van de afdeling Parkeren van de Politie Utrecht of de Parkeer Groep Nederland. Op basis van de onder 2.4 genoemde besluiten was deze krachtens mandaat bevoegd tot vaststelling en uitreiking van de naheffingsaanslag. De vermelding van het Parkeerbedrijf kan niet betekenen dat de naheffingsaanslag door een medewerker daarvan is vastgesteld en uitgereikt.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat verweerder in deze zaak een volledige uitdraai van het computerscherm met de naheffingsaanslag en een ambtelijk verslag van 21 juni 2007 heeft overgelegd waaruit volgt dat onderhavige naheffingsaanslag - inderdaad - door een parkeercontroleur van de Politie Utrecht is vastgesteld en uitgereikt.
2.8 Op grond van artikel 10:10 van de Awb dient een krachtens mandaat genomen besluit te vermelden krachtens welk bestuursorgaan het besluit is genomen. Nu de naheffingsaanslag het Parkeerbedrijf vermeldt terwijl de naheffingsaanslag niet krachtens deze dienst is vastgesteld, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit vormverzuim te passeren met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb. Immers, gesteld noch gebleken is dat eiser door de vermelding is benadeeld, terwijl verweerder in algemene zin heeft toegelicht dat belanghebbenden blijken te weten dat medewerkers van de politie de naheffingsaanslagen vaststellen.
2.9 Ten aanzien van de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd overweegt de rechtbank het volgende.
Eiser heeft aangevoerd dat - kort weergegeven - de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat hij op de betreffende avond wegens een defect aan de automatische deuren geen gebruik kon maken van de parkeergarage onder de Van Boekhoveflats en zijn betaalde, rechtmatige parkeerplaats dus niet kon bereiken. De medewerker van het parkeerbedrijf heeft eiser geadviseerd buiten te parkeren. Toen eiser werd bekeurd en hij hierover belde werd gesuggereerd dat hij dan maar een bezwaarschrift moest indienen. Eiser vindt het onterecht dat hij door nalatigheid van de gemeente bij wijze van spreken tweemaal moet betalen om zijn auto te parkeren.
2.10 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort weergegeven - eiser zijn auto heeft geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplaats en dus belasting is verschuldigd. Het feit dat hij geen gebruik kon maken van de parkeergarage maakt dit niet anders. Verweerder acht het verder niet aannemelijk dat door medewerkers van het parkeerbedrijf zou zijn gezegd dat eiser zijn auto kosteloos buiten kon parkeren. De naheffingsaanslag is volgens verweerder dan ook terecht opgelegd.
2.11 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser, die beschikt over een vignet voor de parkeergarage onder de Van Boekhoveflats, zijn auto buiten heeft geparkeerd op een plaats waar parkeerbelasting verschuldigd is. Ook staat vast dat eiser deze belasting niet heeft voldaan. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook bevoegd een naheffingaanslag op te leggen. Door een defect aan de parkeergarage gaat de rechtsplicht om parkeerbelasting te voldoen bij het parkeren van een auto op een gefiscaliseerde parkeerplaats immers niet teniet.
2.12 De rechtbank vat eisers stellingen over de mededelingen van medewerkers van het parkeerbedrijf op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het gesprek met de medewerker naar aanleiding van zijn telefonische melding niet kan worden afgeleid dat deze medewerker concreet en ondubbelzinnig zou hebben gezegd dat eiser buiten geen parkeergeld verschuldigd zou zijn. Verder kan uit de suggestie dat eiser een bezwaarschrift kon indienen evenmin een onvoorwaardelijke toezegging worden afgeleid dat eisers bezwaarschrift gegrond zou worden verklaard. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
2.13 Gelet op het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het overigens redelijk dat verweerder eisers brief van 11 oktober 2006 alsnog voorlegt aan het Parkeerbedrijf Utrecht (in zijn hoedanigheid van verhuurder van een parkeerplaats in de parkeergarage onder de Van Boekhoveflats) om te worden behandeld als klacht tegen het niet nakomen van de met eiser gesloten huurovereenkomst.
2.14 De door eiser aangevoerde bezwaren kunnen, gelet op het voorgaande, niet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, zodat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen als voorzitter en mr. R.P. den Otter en mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2007.
De griffier: De voorzitter:
mr. M.H.L. Debets mr. H.J.H. van Meegen
Afschrift verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.