ECLI:NL:RBUTR:2007:BB0888
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechterlijke uitspraak over aansprakelijkheid en hulploon bij berging gezonken containers
De zaak betreft een geschil tussen een professioneel duik- en bergingsbedrijf en de eigenaar van het motorvrachtschip Ferox. Na het scheef vallen van de Ferox en het te water raken van 33 containers met cacaobonen, voerde het bergingsbedrijf werkzaamheden uit om deze containers te bergen en te vervoeren.
De eiser vordert betaling van hulploon van de reder, stellende dat een overeenkomst tot berging tot stand is gekomen via een medewerker van het Haven Coördinatie Centrum die namens de reder handelde. De gedaagde betwist de opdracht en stelt dat de bergingsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Tevens beroept hij zich op artikel 8:563 lid 3 BW Pro, dat bepaalt dat hulploon alleen aan de reder verschuldigd is indien de zaken zich nog aan boord van het schip bevinden.
De rechtbank overweegt dat de containers zich niet meer aan boord bevinden en dat daarom op grond van artikel 8:563 lid 3 BW Pro de ladingbelanghebbenden en niet de reder aangesproken moeten worden. De stelling van de eiser dat de redelijkheid en billijkheid een andere uitkomst rechtvaardigen, wordt verworpen. De rechtbank draagt de eiser op bewijs te leveren over het bestaan van een overeenkomst tot berging en bepaalt een getuigenverhoor voor bewijslevering.
De verdere beslissing wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld. De uitspraak is gewezen door rechter J.W. Wagenaar en op 1 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de reder niet aansprakelijk is voor hulploon voor de geborgen containers die zich niet meer aan boord bevinden en draagt de eiser op bewijs te leveren over het bestaan van een bergingsovereenkomst.