ECLI:NL:RBUTR:2007:BB1594
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.E. Kruijff-Bronsing
- F.L. Muskens
- G. Veldhoen
- Rechtspraak.nl
OM niet-ontvankelijk in vordering tenuitvoerlegging Duitse straf
De zaak betreft een verzoek van het Openbaar Ministerie om verlof te verkrijgen voor de tenuitvoerlegging van een in Duitsland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar tegen de veroordeelde, wegens openlijke geweldpleging en poging tot zware mishandeling.
De rechtbank constateert dat de officier van justitie de vordering tot tenuitvoerlegging niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee weken na ontvangst van de benodigde stukken heeft ingediend. Tevens is niet voldaan aan de verplichting tot betekening van het Duitse vonnis aan de veroordeelde, zoals vereist op grond van artikel 45 van Pro de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS).
Hoewel de termijnoverschrijding formeel een niet-ontvankelijkheid tot gevolg heeft, oordeelt de rechtbank dat hieraan geen gevolgen verbonden hoeven te worden. Desondanks ontbreekt de betekening, waardoor het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging.
De rechtbank baseert haar oordeel op een gedetailleerde analyse van de ingediende stukken, waaronder het Duitse strafbevel, besluiten van het Amtsgericht Leverkusen, correspondentie tussen Nederlandse en Duitse autoriteiten en de toepasselijke wettelijke bepalingen en verdragen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht op 22 mei 2007.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot verlof tot tenuitvoerlegging van het Duitse vonnis.