ECLI:NL:RBUTR:2007:BB8272
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Wijziging verblijfplaats minderjarige bij verhuizing moeder naar Zuid-Limburg
De vader verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van zijn minderjarige kind bij hem vast te stellen vanwege de voorgenomen verhuizing van de moeder naar Zuid-Limburg, waar haar nieuwe partner woont en werkt. De moeder wilde samen met het kind verhuizen en stelde dat de belangen van het kind hierbij waren meegewogen en dat het contact met de vader gehandhaafd kon blijven.
De rechtbank stelde vast dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en dat het verzoek valt onder artikel 253a van Boek 1 BW. Uit de zitting bleek dat de omgangsregeling voorheen intensief was en dat de voorgenomen verhuizing de omgang negatief zou beïnvloeden door langere reistijden en minder contactmomenten.
De Raad voor de Kinderbescherming uitte zorgen over de nieuwe relatie van de moeder en de gevolgen daarvan voor het kind. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind het beste gediend is met een verblijf in de vertrouwde omgeving van de woonplaats. De moeder verklaarde dat zij in dat geval in de omgeving zou blijven wonen.
De rechtbank bepaalde dat zolang de moeder in de naaste omgeving van de woonplaats blijft wonen, de hoofdverblijfplaats bij haar blijft. Indien zij verhuist naar Zuid-Limburg, zal de hoofdverblijfplaats bij de vader worden vastgesteld vanaf de verhuisdatum. De omgangsregeling wordt hersteld zoals die voor het kort geding gold. Partijen dragen hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van het kind blijft bij de moeder zolang zij in de naaste omgeving van de woonplaats woont, bij verhuizing naar Zuid-Limburg wordt deze bij de vader vastgesteld.